Willem Bilderdyk (1756-1831)

Op of Ner.

Op ’t gebergte van de Reden
Wordt geklauterd, afgegleden,
En een ieder doet zijn best.
De een wil op naar ’s arends nest
Boven op de spits verheven,
En met dien ten hemel streven;
De ander, naar den modderpoel
By het vorschengekrioel.
Wie doet beter? — ’k Moet bekennen,
Zoo ’t slechts aankomt op het rennen,
’t Gaat naar boven traagjens op,
En niet veel bereikt den top.
Maar naar onder —! Dat heet hollen!
’t Is om van te zuizebollen.
Ja, dat vordert met een spoed
Dat er ’t hart van beven moet.
Glijden, glibbren, tuimlen, storten,
Dat ’s recht den weg verkorten,
En wie ’t eerst is aangeland,
Is de driftigste onverstand.

   Doch het juichend handenklappen
Is voor ’t vast maar langzaam stappen —
Is voor ’t opwaart klimmen niet,
’t Geen men weinig vordren ziet.
Niemand kijkt er naar de wolken
Of de vuile modderkolken,
’t Doel of de uitkomst van den tocht
Die men met zijn moeite zocht.
Dit kan niemand iets verschelen;
’t Is die toekomst enkel spelen,
Maar die snelheid als de wind,
Die is ’t die men aartig vindt.
Die beschouwt men recht met graagte,
’t Ga dan op, of in de laagte.

   Vrinden, wilt gy roem of eer,
Glibbert maar van boven ner.
Breekt ge mooglijk hals of beenen;
Moet ge ’t levenslang beweenen;
Wordt gy door den val verplet;
Smoort gy in het kikkrenwed;
Moet gy, van hun slijk bekrozen,
Om uw eigen dwaasheid blozen;
Walgen van uw eigen vuil;
Worstlen in de diepen kuil,
Hulp- en reddingloos verloren,
En, dan elks bespotting hooren;
Gy hebt den rijken schat
Van het handgeklap gehad!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 10 augustus 1997