Willem Bilderdyk (1756-1831)

Oude Rhijnwijn.

Ű Nata mecum ———
Tu spem reducis mentibus anxiis.

                                         H O R A T I U S.

   Ga heen, mijn tijdgenoot, ga heen,
Wien, met my t’eneer Herfst geboren,
In zestig jaar geen zon bescheen!
Thands moogt ge in ’t heldre daglicht gloren,
En vonklen in het kristallijn;
Gy, kweekling van den grijzen Rhijn,
Die ’t hoofd omkranst met wingertbladen
Uw bezie toeknikte, onder ’t baden
Van ’t door hem bloeiend Bacharach,
Waar hy uw trosjen rijpen zag
En ’t heuvlig wijndal kwam begroeten,
Om met des Moezels stroom vermengd,
In Nederland den schoot te ontmoeten
Waar hy zijn waterschatting brengt.

Gy, kostlijk levensa‚mend vocht,
En kruik, door zulk een sleep van jaren
Als over uw verdwijnen mocht,
In duistre macht het oog ontvaren;
Kom, rukken wy te dezer stond
Het breidlend zegel van uw mond,
En help my een der dierbre plichten
Van ’t teÍrgevoelend hart verrichten.
Ga, ruim uw donkre kerkersluis;
Maar niet om onder ’t woest gebruisch
Een dartlen vreugdedisch te deelen
By zang en dans, gejuich of twist,
En dolheidshoofdrol meÍ te spelen
Als hart en brein onstuimig gist,

Niet, om geheimen, best verheeld,
Aan ’t argelooze hart te onttrekken;
Of, daar ge een weeke zenuw streelt,
Een hart tot wulpsche lust te wekken;
Den teedren lieven schaamteblos
Te wisslen voor een haatlijk ros
Op de opgezette maagdenkaken
Tot zedigheid- en eerverzaken,
En d’eerbren zachten liefdelonk
Te ontsteken met een Helsche vonk;
De rust der onschuld uit te roeien
Van uit een onbesmette borst;
En boezems lavingloos te schroeien
Door ’t hart nog onbekende dorst.

Een Katoos schedel zuizeboll’
Van ’t ziedend sap der muskadellen;
Jaag tucht en zegdige ernst op hol
Daar slaap- en voorhoofdsaadren zwellen!
Ja, volge op ’t Filozoofsch banket
En Sokrates den dartlen tred
Van schaamtelooze dansgebaren,
Gelokt door ’t hupplen van de snaren!
Waad’ Rome met ontbloote leÍn
Door golven druivennektar heen!
Gy zult mijn vloÍr niet overplasschen;
Mij zijt gy tot een beter doel
Aan de eedle kronkelrank gewassen,
Dan hoofdbedwelmend mondgespoel.

Neen, trek naar feest noch vreugdgedruis,
Naar tafellied noch bekerklanken;
Maar wandel stil naar ’t eenzaam huis
Aan ’t ziekbed van een zwakken kranken.
Stort daar, in ’t midden van de smart,
Een druppel moeds in ’t lijdend hart
Van stervens-onmacht diep bezweken,
En moge er hemeldauw by leken!
Wek hoop, verkwikking, leven, op;
Stroom balsemkracht uit elken drop;
Ontspan den band der angstbeklemming,
En hef des lijders ziel tot God!
Zie daar, Ű kruijkjen, uw bestemming;
Zie daar voor my het wijngenot!

      1816.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 8 augustus 1997