(Op gegeven rijmklanken.)
Zeg my wat is tijdvervelen
Waar zoo menig over klaagt?
Wel u die t onwetend vraagt!
t Is een pijnlijk zelfonstelen,
t Slimste spook dat iemand plaagt.
t Is een ziekte, niet te heelen
By die ze eenmaal met zich draagt
Zweep, die elk in t ronde jaagt,
In gedurig zielverkwelen;
Adder, die de rust verknaagt:
Vrucht van leêge bekkeneelen
Nooit van t spinrach uitgeraagd,
Als, voor t zelfgevoel vertsaagd,
t Hart aan bloote schimtafreelen
Welzijn en vertrouwen waagt:
Onbestemd verlangen-telen
Als de ziel zich-zelv mishaagt,
Van verholen lust belaagd,
Wreevlig om zijn lotbedeelen;
Nevel, waar geen licht by daagt.
t Is Verbeeldings woelig spelen,
(Maar, door werkloosheid vertraagd,)
Zonder dat haar poging slaagt,
Als zy t leed wel zoekt te streelen,
Maar geen kwelling van ons vaagt.
Zalig, god, in Uw gareelen,
(Gy, die in ons lot voorzaagt!)
Als Gy onze zwakheid schraagt,
En naar t
Edelst der Juweelen
t Zich mistroostend hart vergraagt!
1824.
Ingezonden: 9 augustus 1997