Willem Bilderdyk (1756-1831)

Tijdverveling.

(Op gegeven rijmklanken.)

Zeg my wat is tijdvervelen
Waar zoo menig over klaagt? —
Wel u die ’t onwetend vraagt!
t Is een pijnlijk zelfonstelen,
’t Slimste spook dat iemand plaagt.

’t Is een ziekte, niet te heelen
By die ze eenmaal met zich draagt
Zweep, die elk in ’t ronde jaagt,
In gedurig zielverkwelen;
Adder, die de rust verknaagt: —

Vrucht van lege bekkeneelen
Nooit van ’t spinrach uitgeraagd,
Als, voor ’t zelfgevoel vertsaagd,
’t Hart aan bloote schimtafreelen
Welzijn en vertrouwen waagt: —

Onbestemd verlangen-telen
Als de ziel zich-zelv mishaagt,
Van verholen lust belaagd,
Wreevlig om zijn lotbedeelen;
Nevel, waar geen licht by daagt.

’t Is Verbeeldings woelig spelen,
(Maar, door werkloosheid vertraagd,)
Zonder dat haar poging slaagt,
Als zy ’t leed wel zoekt te streelen,
Maar geen kwelling van ons vaagt.

Zalig, god, in Uw gareelen,
(Gy, die in ons lot voorzaagt!)
Als Gy onze zwakheid schraagt,
En naar ’t Edelst der Juweelen
’t Zich mistroostend hart vergraagt!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 augustus 1997