Op de punt van s levens strandklip, voor den
onafzienbren vloed,
(Perk van de aardsche nietigheden,) reeds met opgeheven voet,
Staan wy beide, wakkre Grijzaart, by het hulkjen dat ons wacht,
Ledig hulkjen zonder stuurman, lang reeds vaardig voor zijn
vracht.
Wie van ons zal deersten stap doen aan dit onbeproefde
boord,
Om het eerst den voet te drukken in het dicht omneveld oord?
t Eerst de zwarte nacht doordringen die dat landschap houdt
omhuld?
t Eerst dien woesten plas doorstreven die zoo vreeslijk
bruischt en brult?
t Eerst zijn vrienden wedervinden, die ons derwaart
voorgegaan,
De oogen mooglijk reeds van verre op huns broeders afreis slaan?
t Hulkje streedt, ontbloot van riemen, zonder roerpen,
zeil, of want,
Met zijne ingenomen lading vrij en zeker naar dat strand.
t Schijn te hobblen, t schijn te zinken,
t schijn te brijzlen op die zee;
t Voert ons zeker door dees baren naar de ons voorbestemde
ree.
t Godlijk oog zal t derwaart leiden, t oog dat
steeds ons heeft geleid
Door de wareldwoestenyen van geen minder aakligheid!
Door dat woud van dolle wolven, boschhyeenen, slangenbroed,
Dat met klaauw en muil en tanden tegen trouw en onschuld woedt:
Dat den hemel met zijn blaffen, huilen, grimmen, sijfflen, hoont,
En by duivlenlist en valschheid meer dan tijgrenwreedheid toont.
Wy doorreisden t, en beproefden wat die Helsche wareld zij,
Wat die nepen van heur klaauwen, wat die tijgrenrazerny.
Ja, zy scheurde ons kleed en deksel met heur nagels van de leên,
Sloeg ons wonden met heur tanden, wonden, dieper dan op t
been.
Maar Gods Almacht bond hun woede, bond hun woesten wrevelzin,
Met dne muilband van zijn sterkte, bond hun klauw en nagels in.
Doch het Vaderland, zoo bloeiend, t ons zoo dierbaar
Vaderland,
Lag met Oudrendeugd, vertrappeld en in vloekbren slavenband.
Na den toortocht door zoon wareld, na die hoede, dierbre
Vrind,
Vreezen we op dees nieuwen doortocht geen gevaar van golf of
wind!
Die behoed heeft, blijft behoeden; op Zijn eeuwig woord gerust,
Streven wy van deze stranden naar de blijder overkust!
Steek vry de afgrond nog voor t laatste t ons
begrijnzend hoof omhoog,
t Hulkjen zal zich niet verzeilen onder t
Albeschouwend oog:
t Drijft op Gods, op gods genade; naar geen willekeurig
lot,
Dat de mensch zich durft verbeelden tot verachting van zijn God.
Hy bestemde t in genade, voor de wording van t
Heelal,
Wat het bootjen, waar het vrachtjen, waar en hoe t belanden
zal.
Groote Goël, Gy die t aaklig van die doorvaart hebt
gesmaakt,
Gy aanschouwt ons uit den hooge, die voor uw verlosten waakt!
Met Uw toezicht heeft geen schipbreuk, geen verongelukking
plaats,
Hoe de stormwind uit de diepte wanhoop en verdelgin blaas.
Ja, mijn Vriend, we durven hopen, wy betrouwen op Zijn macht!
Treên wy met Zijn liefde in t harte door die
ondoordringbre nacht.
Gaat gy voor naar t hoog bevelen, of heb ik u voor te
treên,
t Zij gemoedigd! t zij berustend! t zij gerust
op Hem-alleen!
d Overheerscher van die baren, hoe ontzachlijk door zijn
schicht,
Zijn de op roof gespitste vingren, is de dreigende arm ontwricht;
De ijzren punt is afgebroken van t verschrikkend
moordgeweer;
Veilig is die zee geworden, t roofgedrocht vermag niet
meer.
Wel dan! sluiten wy onze oogen als het uur dier nacht daar is,
Van een heuchlijk zielsontwaken voor des Heilands throon gewis!
Den 30 January 1824.
Ingezonden: 10 augustus 1997