Willem Bilderdyk (1756-1831)

Ter verjaring mijner Wederhelft.

Moog met witbesneeuwde hairen
   En verkleumden ouderdom
Feestgenot noch vreugde paren,
Echter mijn verlamde snaren
   Zijn dit Hooggetij’ niet stom.
Neen, laat hals en kniŽn nijgen;
   Hart en boezem zijn niet koud,
Hart en Cyther zal niet zwijgen
Maar in zangdrift opwaart stijgen,
   Liefde en Godsdienst wordt niet oud.

Zoo my stem en adem falen;
   Schoon mijn vinger, stijf en dof,
Blindlings om de Lier mogt dwalen,
En mijn schroevend ademhalen
   D’echten toon niet langer trof;
Harten zingen slechts voor harten,
   En, begroet ik dezen dag,
’t Is niet om de Kunst te tarten;
’k Zing de Zalfster van mijn smarten,
   Die hem ’t eerst ontloken zag.

Ja, voor haar span ik de koorden
   Op mijne afgesleten Lier;
Zoo ook stamelende woorden
Op mijn bleeke lippen smoorden,
   In dit cindel vonkt nog vier,
Ja, voor haar verjong ik weder,
   Waar ik zelfs in de asch voor gloei.
Voor haar teÍrheid even teder,
Dunk ik me als een groene Ceder,
   Honderdjarig in zijn bloei.

Ja, dees Blijdag wil ik vieren
   Die ons nog vereenigd ziet;
’k Zag hem nog den hemel sieren
Waar wy ’t leven rond in zwieren;
   Zij my dit een stervenslied!
Ja, Melieve, ’k groet dien morgen
   Die u ’t eerste schijnsel bood:
Heel de heeling van mijn zorgen
Hield hy in zijn schoot verborgen:
   My verrees dat morgenrood!

Heeft hy parels noch robynen
   Op uw kinderkoets gestrooid,
Hemelstralen liet hy schijnen,
En de wiek van Serafijnen
   Heeft zich om die wieg geplooid.
In uw boezem lei hy zaden
   Om te wortlen God’ ten prijs,
Die des Hemels drop zou baden,
Struik doen schieten, knop en bladen,
   Bloem en vrucht van ’t Paradijs!

Bloem en vruchten, voor uw Gade
   Tot verkwikking op zijn pad.
Eeuwig dank zij gods genade,
Die wat ooit zijn hart versmaadde
   Tienvoud weÍrgaf in dien schat!
Wat toch, zwerver op deze aarde,
   Ware ik zonder uwe troost?
Wat had wellust, prijs, of waarde,
Dat uw teÍrheid evenaarde,
   En de liefde van ons kroost?

Neen, ik wil u niet bedroeven,
   Schrei niet, Lieve! God is goed.
Prangt Hy ’t hart in bange schroeven,
Wil hy ’t loutren door ’t beproeven,
   Ook die hardheid valle ons zoet!
Ja, Hy nam ; Hy had gegeven.
   Maar — Hy liet ons ťťne spruit;
Moog die Hem ter glorie leven!
Moog Zijn Geest dien overzweven!
   Breide ons die heur takken uit!

Hen die wy zoo teder minden
   Zullen we immers (ach, hoe blijd!)
By hun Heiland wedervinden
In den kring van Godsgezinden,
   Overwinnaars in den strijd!
Ach! gevoelde uw hart hun smeeken
   By het Ouderlijk verdriet,
Toen wy van de smart bezweken,
Weggegolfd in tranenbeken,
   Voor hun spelend broÍrtjen, niet?

Ja, gy voelde ’t; en nog heden,
   In dees eigen oogwenk nog,
Zien zy op ons naar beneden
Met de tederste aller beden;
   Ja, het is geen zinbedrog!
Lieve WeÍrhelft! Hemelingen
   Sproten uit uw zuivren schoot;
Ja, wy mogen Hallels zingen,
’t Hart ons in den boezem springen,
   God is gunstrijk, God is groot!

Hem wiens roem op Englentongen,
   Op der Winden vleugels zweeft,
Hem zij dank en lof gezongen;
Hem die ons het hart doordrongen,
   Zich ons kroost geheiligd heeft!
Hem wiens Geest ons om blijft waren
   En de ziel met wellust drenkt;
En, by nieuwe levensjaren,
Dien, die op Zijn Heil blijft staren
   Nieuwe kracht en zegen schenkt!

Geef ons, Vader, dezen zegen!
   GoŽl, spreng ons met dat bloed
Dat, in Zoenwalm opgestegen,
Ons Uw Hemel heeft verkregen,
   Voor de macht der Hell’ behoud!
Geest van Waarheid, Licht, en Vrede,
   Gy, doordring ons heel ’t gemoed,
Hoor ons aller zielenbede,
En geleid ons ieder schrede,
   Als een toorts van onzen voet! —

Dierbre! mocht het my gebeuren,
   Nog te kwelen op dees dag; —
Die my van uw zij’ zal scheuren
(Moog ’t uw boezem niet doen treuren!)
   Nadert, elken aderslag.
Gy, herdenk my by het keeren
   Van dit Jaarfeest my zoo waard;
En, moog ’t graf mijn rif verteeren,
Dank voor my den Heer der Heeren
   Die ons eenmaal weder paart.

Zie my aan uw arm onttrekken
   Met een onberoerd gemoed:
De Engel die my op zal wekken,
Zal u met zijn vleugels dekken,
   U en ’t spruitjen dat gy hoedt.
’t Lieve Wichtjen zal u eeren
   Met een kindelijk ontzach;
Zal van u de plichten leeren
Van ’t genieten, van ’t ontberen
   Van een vlekkeloos gedrag.

’t Zal de tederheid belonen
   Die gy aan zijn Vader boodt;
’t Zal uw hoofd met rozen kroonen,
U zijns Vaders hart betoonen,
   Dat zich in hem overgoot.
’t Zal zijn God en GoŽl prijzen
   ’t Zal getrouw zijn aan zijn Vorst,
De eer zijns stambooms doen herrijzen,
En de deugden steeds bewijzen,
   Ingestort van uit uw borst.

Teedre! van die hoop gesteven,
   (God verhoor’ en maak’ ze waar!)
Laat ik ’t woelig leedvol leven;
Zonder voor uw lot te beven,
   Strek ik ’t lichaam naar de baar.
’k Ga u daar voor uit, mijn Waarde,
   Waar gy me eenmaal volgen zuult;
Of, zoo Jezus gunst u spaarde
Tot Zijn wederkomst op de Aarde!
   Dubbel waar mijn wensch vervuld.

Ja, gewis, die dag der dagen,
   Dag van vreugde en wee, gemaakt.
Op Zijn Wolkenthroon gedragen,
En omheind van donderslagen,
   Daalt uw Heiland, Christnen; waakt!
Ja, gy zult Zijn Rijk aanschouwen,
   Thands in ’t stof vertrapt geslacht,
Alle die op Hem betrouwen! —
Hoopt het, voorbeeld aller Vrouwen;
   En mijn Knaapjen, gy, verwacht!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 augustus 1997