Sensit et Trojae prope victor altae
Phthius
Achilles.
H O R A T I U S.
Geen lasterende Niobe,
Van boezem fier, en hoog van oogen,
Gevoelde alleen het Wraakvermogen
In t diepst van t kinderlooze wee;
Geen dolvermeetle Tityus,
Van heiligschendend vuur ontloken,
Zijn reuzen-overmoed gewroken
In t boeten van Latonaas kus:
De Stier viel, by t naadrend uur
Van t door zijn arm verbrijzeld Trojen,
In de asch, den winden toe te strooien;
Na t schudden van den veegen muur.
Op Godenbloed, Godinnenschoot,
Vermetel, mocht hy Heldenkrachten
Van vriend- en vijands arm verachten,
Maar was der Godheid niet te groot,
Een pijn gelijk, dien t hakmes trof,
Of, door den wind ontgronden ceder,
Viel de overwonnen Krijgsman neder,
En plofte t hoofd in t Trooisch stof.
Hy school in geen bedrieglijk paard,
In naam aan Pallas tegeheiligd,
Met valschen Godsdienstschijn beveiligd
Door listen, geen Achilles waard;
Hy trachtte door geen valschen waan,
In t jammerlijk verlossingvieren
En dansend door elkander zwieren,
Een weêrloos stadvolk neêr te slaan;
Maar openlijk met toorts en zwaard
Het jammrend kroost in t bloed te smooren,
Ja, de afkomst-zelf, nog ongeboren,
In t moederlichaam niet gespaard.
Doch niet te sneuvlen door t gevecht,
Maar door een laffen pijl te sneven
Hem uit een schuilhoek toegedreven,
Was aan zijn trostheid toegelegd.
Vermeetlen ziet op Peleus zoon!
De trotsaart in t hooghartig brallen,
Zal nimmer, door onedel vallen
Den Hemel wreken van zijn hoon.
U ook, u trof de zelfde straf,
Gy die met Koningskroonen speelde,
En, daar ge u boven t Lot verbeeldde,
En klip tot kerker vondt en graf!
1824.
Ingezonden: 8 augustus 1997