Willem Bilderdyk (1756-1831)

Versmade Liefde.

Staatlijk rees de star de avond, ’t vale schemerlicht verdween,
En de nacht, den hemel meester, hing haar floers daar over heen,
Als de dappere Abenzaid uit Medinaas oude stad
Door de rijkbebloemde velden langs de ruischende oever trad,
Waar de stroom van Guadalete kronklend door de vlakte schiet,
En den zwerver op de baren by den stormwind schuilplaats biedt.
Heldenmoed noch edele afkomst kwam zijn lijdend hart te st;
Trouwloos was zijn Zobede, de aan dat hart beloofde g;
Zy verliet den wakkren jongling; zy, de minlijkste in ’t Heelal;
Hem, van schat en erf verstoken door het nijdig Lotgeval.
Neen, niet nijdig: ’t gaf hem krachten, ’t gaf hem eer en heldenmoed,
’t Gaf hem d’adel van den boezem by zijn oud en edel bloed;
Maar de onzinnige verlaat hem, om de rimpeldorre hand
Van het grijze hoofd te huwen dat Seville klemt in band.
By het luistren van den strandgalm, stort hy in de stille lucht
Dus zijn klachten, door den rotssteen bang en staamlend nagezucht.

      Wreede, meer dan ’t grommend water by dit donkre meirgeklots,
Harder dan de harde boezem van dees klippige oeverrots!
Kunt gy onze min herdenken? Zobede, kunt gy dat,
En een andren ’t harte schenken, ’t harte dat ik eens bezat!
Al de teedre aanloklijkheden, eens aan dees mijn borst gekleefd,
In eens Grijzaarts armen smijten die er geen gevoel voor heeft!
Kunt gy de uwe zonder schrikken om dien dorren boomtronk slaan,
En den palmtwijg dien gy liefdet in versmachting doen vergaan!
Stelt gy zeven jaren minnens, zeven jaren dienst ter zij’,
Om dien Stadtyran te minnen, u zoo onbekend als my!
Hem, hoe rijk hy zij in schatten, armer dan de minste slaaf!
Is dan ’t hoopjen slijk des aardrijks in uw oogen meer, dan braaf!
Allah geef dat hy u hate; dat gy eenmaal wer bemint,
En het pijnlijkst hartverscheuren, Minversmading, ondervindt,
Moog de nacht haar rust u weigren en de dag verschrikking zijn,
Gy dien Eg haatlijk worden, en uw aanzien hem tot pijn!
Moog zijn oog uw aanblik schuwen, nooit zich spieglen in uw glans:
Moog hy nooit zijn hand u reiken by het hupplen van den dans!
Nooit u streelen op zijn sponde, nooit u roepen aan zijn disch;
Nimmer kleed of sluier dragen die door u geweven is!
Nooit een statieriem omgorden, die uw hand hem heeft gestikt!
Zij zijn hart in andre liefde, de uwe tot een hoon, verstrikt!
Draag zijn wapen ’t liefdecijfer van eene andre liever vrouw,
Daar gy achter ’t tralievenster zit te snikken in uw rouw!
Bied’ hy andre de gevangenen die hy in zijn boei mocht slaan,
Bied’hy haar zijn zegeteeknen aan heur voeten knielend aan!
Leer hem haten, leer hem vloeken, met een hart dat voor hem blaak’!
Dit, ja wreeder, (is er wreeder,) zij mijn liefdegloed ter wraak!

      Hier, hier zweeg hy, kwam te Xeres in het uur van middernacht:
Vond het Echtpaleis aan 't flikkren in volkomen bruiloftspracht;
Moor by Moor met zilvren toortsen in het kostbre feestlivrei,
Noestig dravende in te rugkeer van den blijden bruiloftsrei.
Hy, hy plaatst zich vlak by 't voetpad, als de Bruigom nader trad,
Drijft de lans hem door den boezem, dat hem 't bloed in 't aanzicht spat;
IJlings stijgt een kreet ten hemel, heel de bruiloft grijpt naar 't zwaard;
Maar hy stuift door alle klingen, vrij van ouderlijken haard.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 11 augustus 1997