Willem Bilderdyk (1756-1831)

Waarschouwing.

Wat liet ge u, schaapjens, onder ’t weiden,
Door de ongebaande ruwe heiden,
Van de onuitputbre levensbron
Naar doorgesleten bakken leiden,
Waar zelfs geen drop u laven kon?

Wat loopt ge op onbekende stemmen
Van die den herderstaf omklemmen,
Van ’t pad naar de u gewezen kool?
Hun fluitjen zal geen wolf betemmen,
U steeds beloerende als zijn prooi.

Neen, ’t is de straf niet dien zy dragen
Die ’t wolvenras heeft afgeslagen,
Bespat met ’s Opperherders bloed;
Wat zult ge u aan hun leiding wagen,
Zy voert de dood u in ’t gemoet!

De zilvren bel moog vrolijk klinken,
En aan den hals des hamels blinken,
Door valsche moordlist opgesierd;
Gy! volgt niet op dit hel rinkinken,
Waarvan gy ’t bloedig offer wierdt.

Doch neen, ’t is alles niet verloren
Zoo lang gy nog ’t geroep moogt hooren
Van die u by de heilbron wacht:
Keert weder, keert in de oude sporen,
Voor ’t vallen van de donkre nacht.

Die nacht waarin hyeenen hilend,
U lokkende uit hun donkre kuilen
Door ’t nagebootste spraakgeluid,
Waar zy ’t afzichtbre hoofd verschuilen
In geurigriekend heidekruid.

Keert wer naar de u bekende streken,
Naar de alle dorst verslaande beken,
En d’ aan heur boord gebouwde stal.
Herkent Zijn stem, hoe afgeweken,
Die nog wergalmen blijft in ’t dal!

Nog staat zijn hut den kudde open,
Wanneer, van ’t angstig zweet bedropen,
’t Verdoolde lam zich tot hem wendt.
Nog laat u de avond redding hopen,
Al spoedt de lange dag ten end.

Maar wee, ja wee dien, duizendmalen!
Die, na in ’t duister om te dwalen,
De staldeur reeds gesloten wond.
Hoe duur betaalde hy zijn dralen!
Voor dien rees nooit wer morgenstond.

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 11 augustus 1997