Willem Bilderdyk (1756-1831)

Wroeging.

Epheziėrs III, 12.

Waar de geeselslagen snerpen
Van een rusteloos gemoed
Dat zich immer hooren doet,
Zorg en kommer af te werpen,
En de fronsels van ’t gelaat
Met een grimlach af te strijken,
Die met onmiskenbre blijken
Toch de boezemkwaal verraadt : —

In ’t gewoel der feestpaletten,
Met een felbenepen hart,
Ter ontveinzing van de smart,
’t Luide dischlied in te zetten
Midden in den boezemklem;
En aan dolle vreugd te paren
Met gedwongen momgebaren
En een uitgeperste stem : —

Heet ge dat, zich-zelf vergeten,
Opgezwollen Eigenwaan!
Geeft ge daar den tytel aan
Van betemming van ’t Geweten?
Noemt gy in uw folterpijn
Dit, een ijdel zwak bedwingen,
En, in de angsten die u dringen,}
Van u-zelven meester zijn?

Maakt het knarsend zelfvebijten
By de doodelijke wond,
’t Aangekankerd hart gezond?
Is ’t hardnekkig tegenwrijten,
Dat de spoor aan ’t wreevlig ros
Minder in den huid doet dringen?
Maar weźrbarstig halsverwringen
’t Prangen van den teugel los?

Leer dien snooden trots verbannen
Die tot wis verderf geleidt;
Voel uw zielsafhanklijkheid! —
Tegen de Almacht aan te spannen,
Geeft geen lichtnis, geeft geen heul.
Die de wroeging wil verstikken,
Dempt zich de ader van ’t verkwikken,
Is zich-zelven slechts ten beul.

Neen, verberg u voor geen oogen!
Voor geen menschen, stof als gy,
Geen van allen, zondenvrij!
Huichel niet voor ’t Alvermogen
Dat door hart en nieren ziet!
Peil de diepten vanuw wonden,
Laat hun wee niet onverbonden,
Schaam ze u voor u-zelven niet.

Neen, maar val aan Jezus voeten;
Smeek om redding van dat leed
Dat u ’t hart dus open reet:
Hy is ’t, die de smart verzoeten,
Hy is ’t die, wie tot hem vlieden
En Hem d’open boezem bieden,
Opheft uit den diepsten val.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 11 augustus 1997