Willem Bilderdyk (1756-1831)

Zelfbewustheid.

——— Ne cui de te plus tibi credas.
                               HORATIUS.

Tracht dat te zijn waarvoor gy gaarne door zoudt gaan.
Men roemt u als gegoed, gezond, en wel gedaan;
Wel poog dan ook in ernst om dit met recht te heeten:
Wat anders baat het u by eigen beterweten?
Of dringt ge u zelven op, gezond en frisch te zijn,
Terwijl ge rilt van koorts of wegkrimpt van de pijn?
De dwaas verbergt uit schaamte in plaats van ’t uit te roeien
Zijn slinkend kliergezwel en laat het verder groeien.
Is ’t heerlijk, is ’t een lof waar ge in u-zelf me praalt,
Als iemand van uw moed in ’t oorlogsveld verhaalt,
en dat ge op Quatre-bras de Franschen af deedt wijken,
Gy die nooit degenkling dan siddrend aan dorst kijken?
Of zult ge zelf daar neit om lachen, of ’t veellicht
Voor spotlust houden, die uw bloheid fijn beticht?
Hoe dan, wanneer ge u braaf, verstandig, wijs, hoort noemen
Kunt ge aan uw eigen hart hetgeen gy zijt, verbloemen,
En zegt u ’t kloppertj’ in den boezem niet terstond:
Mijn arme baasjen, och, dat prijzen heeft geen grond!

„Maar (zegt ge) een mensch wil graag voor braaf, verstandig, gelden.
„Ga zelf in uw gemoed, dat zal ’t voorzeker melden.”

’t Komt op den naam dan aan. Doch, die dien naam ons geeft,
Neemt morgen dien te rug. Beleefd of onbeleefd,
Hy heeft de macht daartoe. Hetgeen ge u aan laat lenen
Is recth noch eigendom. Dan loopt men blaauwe scheenen;
De vrijster is ontglipt, als ’t wolkjen aan den knaap
Die ’s Hemels koningin omhelzende in zijn slaap,
Dien pret bezuren moest in de Acherontische streken;
De Vorsten heerlijkheid van Krelis is geweken,
Hy ligt wer neder war hy t’huis is, op de mest. —
Maar stel, men noemde me eens een zedenlooze pest,
Een Vadermoorder of nog slimmer, hy de dwazen;
Zou dat my aandoen? ik my storen aan dat razen?
Geen valsche schande of eer slaat neder of vermaakt
Dan slaven, wier gemoed zich-zelve heeft verzaakt,
Of kranken, die men best naar ’t Gasthuis heen mocht zenden.

„Ja (andwoordt ge), evenwel! ik laat mijn eer niet schenden:
„’k Ben toch een eerlijk man en doe geen sterveling kwaad.”
Een schoone lofspraak! iets byzonders inderdaad!
Nooit deedt ge een diefstal, nooit een huisbraak. ’k Mag wel lijden.
Geen moordt (verbeelde ik me) ook, ja zelfs geen beurzensnijden.
Ge liept ook zeker nooit met bellen door de stad.
Zoo braafheid en verstand niet meer dan dit bevat,
Dan hebt ge recht daarop, en moogt op uw verscheiden,
De lof der Redenaars van onzen tijd verbeiden,
Als goed en braaf geroemd, goed vader, man en vrind,
Gelijk men duizenden in ’s warelds omgang vindt.
Kom! uit de menigte van die Genootschapspreeken,
Naar d’een of andren die u aanslaat uitgekeken,
Dien m’als een lijkdienst, op uw sterven uittrompett’!
Zoo ge anders niet begeert, ga welgetroost naar bed.

Maar braaf of wijs eischt meer (ten minste ’k durf het hopen)
Dan dolhuis of schavot gerust voorby te loopen,
Dan pijpjens rooken in zijn kransjes, en wat meer
De lieden, zoo zy zijn, in vriendschap brengt en eer.
’t Eischt inn’gen afkeer van verkeerdheid, wanbegrippen,
En valschheid. ’t Eischt een hart, nstemmig met de lippen;
Uit eigen oogen zien, en handlen naar zijn plicht,
Schoon heel eene aarde ’t ook van razerny beticht’
En met heur smaad vervolg’. ’t Eischt God en zijn Geweten
Getrouw zijn, wat het koste, en hoe men ’t ook moog heeten;
Belang, bezit, en, zoo ’t moet wezen, zelfs zijn bloed
Op te offren aan de rust en vrijheid van gemoed.
En dan veracht’ of prijz’ en rammel naar believen
Wie wil, het zal geen brave, of echten Christen, grieven.

      Vrij gevolgd naar Horat. Epist. I, 16.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 augustus 1997