Gezegend is de zorg die t onheil voor kan komen;
Maar vruchtloos kwelt zich t hart om t
geen onkeerbaar naakt.
Lafhartig is t, een leed, ons toebestemd, te schroomen;
In de onderwerping slechts wordt ware troost
gesmaakt.
Zie daar den Christenmoed, die alle leed ontwapent!
Gelatenheid in God is balsem aller wond.
De kranke zuichling lacht, aan s moeders boezem slapend;
Maar zachter rust de ziel die troost in Jezus vond.
Wat s lijden op deze Aard? De hartkwestuur moog
schrijnen;
U wacht ik, Hemelsche Arts, die haar verbinden zult.
De prikkling van de pijn zal by Uw komst verdwijnen,
Uw hand verzacht en heelt. Mijn boezem, heb
geduld!
1824.
Ingezonden: 4 augustus 1997