Curaat ovis, repetens a te sua pascua,
Pastor!
FORTUNATUS.
Waarom dwaalt gy, schuwe lammeren
Langs die onafzienbre hei?
Hier, hier is de vette wei,
Ginds een schouwtooneel van jammeren;
Vlijt u onder s Herders staf
Die u dezen veldgrond gaf!
Lokken u de bonte kleuren
Van een valschen bloemhof uit;
Laaft, verkwikt u aan de geuren
Van dees thijm en t heidekruid.
Hier moogt gy uw lust verzaden;
Hier in zuivre plassen baden;
Hupplen in t verfrisschen groen;
Blijft gedwee, onnoozle schapen, waar zijn arm u mag behoên!
Ginds omgrimt U fel van tanden
t Aartsvijandig wolfgebroed,
Onverzaadbaar naar uw bloed,
Gierende om u aan te randen.
Vlijt u onder s Herders staf,
Lieve lammren; wijkt niet af!
Schijnen u de middagstralen
Somtijds wat te fel op t hoofd;
Laat ggen nieuwsgiere oogen dwalen
Waar dat boschjen schuts belooft.
Daar, daar loert de felle roover;
In de lommer van dat lover
Is de schuilplaats van zijn woên.
Blijft gedwee, onnoozle schapen, laat uw Herder u behoên.
Hy, hy kent de veldgewassen
t Heilzaam voedsel, u bereid.
Waar zijn trouwe hand u weidt,
Zal de dood u niet verrassen;
Buigt, u onder s Herders staf:
Moedwil loopt in eigen straf!
Waar zijntrouwe wachters waken,
Daar is veiligheid en rust,
Zal geen vijand u genaken;
Zoekt, ô zoekt geene andre lust.
Hier in thijm- en klaverstreken,
Hier by de onverdachten beken,
Moogt gy hart en lust voldoen:
Blijft gedwee, onnoozle schapen, laat uw Herder u behoên!
1824.
Ingezonden: augustus 1997