Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Taal.

Laat ons nedervaren, en laat ons hare sprake verwarren.

Genesis XI, 7.

ô Hoogste en dierste gift, van God ten deel verkregen!
   Waardoor de zwakke mensch der dieren schepter voert,
Gy Hemelërfdeel, Spraak! gy, grond van allen zegen,
   En band, die ons geslacht met de Englen samensnoert!
Hoe wordt ge thands miskend; verlaagd en neêrgeworpen,
   Als opgestemd verdrag van ’t menschlijk wanverstand,
Dat nooit vermoeit of walgt van eigen drek te slorpen,
   En nooit een gift erkent gevloeid uit hooger hand!
Gy, die, toen menschentrots, God-zelv’ in ’t schild gevlogen,
   Zich onafhankelijk wilde als aan zich-zelf genoeg,
Voor waarheid uit Zijn bron, verpest werdt met de logen,
   En ’t dondren van Zijn wraak hen over ’t aardrijk joeg,
Verdeeld, verstrooid als zy, in wangeluid ontaarde;
   Verduisterd als hun brein, verdorven als hun hart,
Geene éénheid, licht en kracht, geen kennis meer bewaarde,
   Maar tot omwolkte nacht en geestverwarring werdt!
Ach! telkens meer en meer door misbruik en verwenning,
   En waanwijs onverstand naar willekeur verkracht;
In ketenen geprangd door blinde zelfmiskenning,
   En altijd meer verwoest by ieder nieuw geslacht!
Gy, die de zelfde zijt met die ontschatbre Reden,
   Geroemd, maar even zeer mishandeld en verzaakt,
En die, van ’t Eeuwig licht ons in den schoot gegleden,
   Den stervling hier op aard tot beeld zijns Scheppers maakt.
Wat werdt ge? — Laf gezwets; onzinnig woordenkleppen,
   Waarvan men noch ’t verband nog d’ eigen aart beseft;
Waarvan geen enkle klank by ’t tong- en lippenreppen
   De ziel van die ze ontfangt, naar ’t Eeuwig Woord verheft.
Is ’t wonder, zoo gy dus tot wangeliuid verbasterd,
   Tot voertuig worden moet der lessen van de Hel,
Tot vloekspraak van dien geest die God en Heiland lastert,
   Of, ijdel luchtgeschal, verachtlijk kinderspel?
Ach, mocht men eenmaal nog in uw geheimnis dringen,
   In U den God des heils als in zijn beelt’nis zien!
Hoe heerlijk werd uw lot, verdwaasde stervelingen!
   Hoe zou de Geest van God in aller hart gebiên!
Maar neen, Hy heeft ze aan u, verleiders, toegesloten;
   Gy blaft, gy tjilpt, in opgezwollen waan:
Uw wantaal is een blijk hoe diep ge zijt verstooten;
   Hoe wijd van ’t geen ge waart; hoe snellend nnar ’t vergaan!
Ja, vloek ruste op het hoofd dier laffe dwingelanden
   Die ’t beuzlig ragkoord slaan om vrije pen en tong;
Onwetend Ezelsras en drijvende onverstanden,
   En de Overheersching waard die ’t Vrijheidsliedtjen zong!
Gaat allen die ’t verstand met de eer hebt afgezworen,
   Ja, draaft doldriftig voort op ’t ingeslagen pad:
Maar, wie uit Neêrlandsch bloed tot vrijheid zijt geboren,
   Bloost, dat ge in slavenband u-zelven dus vergat!
Gaat, werpt de kluisters af, verbreekt die duivlenjukken
   Van snooden willekeur, uw schoudren opgeleid!
Laat ziel, verstand en hart, bedwelmen noch verdrukken,
   En zoekt het Waarheidslicht voor Helsche donkerheid.
Uw boezem zij verlicht, uwe oogen zullen ’t wezen;
   Uw hart ontfang’ den glans, die Duivlenlist versmoort,
Zoo zult ge in ’s menschen spraak den God der Waarheid lezen,
   En d’ invloed der genâ van ’t ongeschapen Woord.

Maar denken — ? Neen, ô neen, men heeft verleerd te denken:
   Men vult, tot duizlend toe, het hoofd met vreemd gezwets,
Raast in den Franschen roes, en draaft op Britsche wenken,
   Of neemt van Duitschen grond de wartaal tot zijn les.
Dan rammelt men door een, met daavrend onzinschreeuwen
   En schrijven, naat ’t een’ zot beliefd heeft voor te gaan;
Zie daar de heerlijkheid, waar in dees roem der eeuwen
   Verstand, gevoel van God, en ’t hart voor achterstaan!
Zoo voedt men kindren op, dit maakt men elk tot plichten,
   Pleegt raad en bedelt lof by ’t razendst dom gebroed.
Verbeestlijkt dag aan dag, en rammelt van verlichten,
   En roept elkander uit, als of men wondren doet.
ô Gaven onzes Gods, zoo snood, zoo hemeltergend
   Miskend, veracht, misbruikt in zelfdienst, Hem ten hoon,
Is ’t wonder, zoo de wraak, Zijn aanschijn ons verbergend,
   Ter straff’ van volk en eeuw zich onverbidlijk toon’!
Almachtige, verkort het jammer dezer tijden,
   Voleind uw Godlijk werk, herstel uw Godsgezag!
Nog zijn er harten, ja, die Jezus zoen belijden,
Nog harten die zich-zelv’ de dienst huns Heilands wijden,
Nog zijn er, die de Hel in Jezus naam bestrijden,
   Verhoor, en geef ze een kracht die niet bezwijken mag!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 18 augustus 1997