Willem Bilderdyk (1756-1831)

Geron.

Sicelides Musae, paulo Majora canamus.
                                         V I R G I L I U S.

De alvonde Moeder, steeds in arbeid voor haar kroost,
Hing (na een negental van maanden, onverpoosd
In immervolgende oogst van bloemen, voedzame airen,
En boomooft,) afgemat en uitgeput van ’t baren,
Het blanke nachtgewaad der winterslaapkoets om,
En vlijde zich ter rust by ’t stormend windgebrom.
Haar weduwlijke koets omringden geen akkoorden
Van juichend vooglental; maar ’t hagelklettrend Noorden
Stortte in verwoedheid ner door ’t graauwe mistgordijn,
En liet geen aanblik toe van zichtbren zonneschijn;
Als Geron, neergedrukt van innig zielsbezwaren,
Zich nerzette op een tas van afgeschudde blaren,
En ’t hygend hart ontlastte in dezen jammertoon.

    Beemden, waar nog korts en Ceres en Pomoon
En Flora, hand aan hand, de bosschen en valleien
Vervulden met gejuich van dartelende reien,
Thands dor en eenzaam in een doodelijken slaap,
Hoe dikwerf zag ik u als jonge Herdersknaap,
Als man, en eindelijk als Grijzaart, dus versteven,
En in vernieuwde jeugd met grooter pracht herleven.
Maar thands, nu ’t ijzren lot dat bloem en bloesems rooft,
De sneeuw van zestig jaar my ophoogde op het hoofd,
Mijn nek van ’t zware juk des levens ner doet zijgen,
De knin wagglen doet en onder ’t lichaam nijgen,
Wat Lente wacht my wer die dees mijn kruin hertooit,
Mijn wang en voorhoofd van der jaren kreuk ontplooit,
Vernieuwde sappen in mijn aadren om doet vlieten,
En ’t levens smaakloosheid my weder leert genieten ? —
Ach! vruchtloos hoopte dit de Grijzaart. ’k Had als gy
Een Lente: eilaas, voor eens! Die Lente ging voorby,
Een Zomergloed doortrok mijn aadren, bloed, en spieren,
Doorkookte my met moed om ’t hart den toom te vieren;
Een later Herfst verscheen, en rijper levensdag
Bekoelde ’t vuur der drift, bezadigde ’t gedrag;
De tijdreeks is voleind van ’s levens jaarsaizoenen,
Mijn Winter heeft geen keer, mijn dorheid geen hergroeperen,
Geen zonnegloed versmelt mijn ijsschors. ’t Dompig graf
Alleen is wijkplaats, troost, en breekt dees winter af. —
Doch wenschte ik, zoo ik mocht, die doorgestreefde dagen
Herhaald ? Was ook ’t genot dier vreugde zelf geen klagen,
Geen grijpen naar een schim van nooit bereikte lust?
Vermoeiing van begeerte, in zwoegen zonder rust?
Ja, mocht ik, thands geleerd, mijn vroeger tijd herhalen
In wijsheid zonder waan, en wandlen zonder dwalen,
Blijmoedig trad ik wer in de afgeloopen baan;
Maar zouder ik ’t zelfbedrog van eigen hart ontgaan?
Niet wer, niet andermaal de valsche sporen kiezen?
My-zelven niet op nieuw in ijdlen droom verliezen?
Is ’t denkbeeld-zelf geen droom van trotsende Eigenzucht?
Wat roep, wat wensche ik dan de tijden uit hun vlucht
Te rug, om wer den dwaas, den dartlen roekelooze
Te spelen, waar ik thands met zoo veel recht om bloze!
Neen, keer, Voorjaar, keer voor veld en veldplantsoen;
Voor my geen Lentezon, geen wer herboren groen
Aan d’ uitgedorden tronk! Geen bloesem wer of lover
Vervang’ mijn wintersneeuw. Ik geef my willig over!
Ontworteld moet dees stam, en ik, ik ben bereid;
Ik zeg vaarwel aan de aard’, vaarwel in eeuwigheid!

   Ja, danke ik dat verval dat me aan my-zelf ontroofde,
De valschheid kennen deed van ’t geen de Jeugd beloofde,
My aan my-zelf betoonde in eigen nietigheid,
Den mom heeft afgerukt die zoo bedrieglijk vlijt,
De banden sleet die me, aan een schijndamp zonder wezen
Gekluisterd, slingerden in wenschen, hopen, vreezen,
En, worstlend naar een valsch en altijd wijkend doel,
Het bloed verhitten in verwoestend driftgevoel.
Bloost, lieflijke appels, door de bladers die u dekken
En noodigt ons, de hand tot plukken uit te strekken;
De tand doorklieft u niet, of ’t geen ons heeft verlokt,
Blijkt bittre kolokwinth waarvan de zenuw schokt.

   Doch waartoe dus door ’t leed die kennis opgegaderd,
Daar ’t zeekre sloopensuur met reuzenschreden nadert?
Waartoe ’t vooruit gezien? De tuinvlieg kwetst het blad
En sluit er de eiers in (den na te laten schat
Dien ze uit natuurdrift stort,) aan de uit te broeden wormen
Ter spijzing, tot de groei hun vleugels staat te vormen;
Zy voedt zich, vliegt, voldoet de teeldrift, sterft, vergaat,
Haar doel vervulde zich, haar diersoort blijft in staat,
En al haar kennis ligt in dees haar kring besloten.
Maar ik, my-zelf doorziende en mijn natuurgenoten,
Gevoel me een hooger doel, dan ’t aanzijn op deze aard
Vervult; die dierlijk ZIJN was ’t geen ik ben niet waard.
Luid roept me een stem in ’t hart: Tot hooger kring geboren,
Gaat deze uw zelfheid met dees laagren niet verloren.
Ge ontwikkelt hier ten deele; en als zich ’t stof ontbindt,
Verstrooit ge in de asch niet die uit n stuift op den wind.
Ja, ’t voel in d’ aanleg mijn bestemming. ’t Is geeen sneven,
Als ’t lichaam wegzinkt, ’t is mijn aanvang van te leven!
Ja, ’k stap met tragen tred en leunende op mijn staf,
Maar kalm vooruitzicht, voort naar ’t op my wachtend graf.
Mijn avond wacht voor my geen nacht dan om te ontwaken,
’t Vergaan mijns lichaams is een heuchlijk kluisterslaken;
Een onverbeeldbaar, ja, maar heerlijk uchtendrood,
Breekt me aan en lacht my toe door ’t wolkfloers van de dood.

   Dus sprak de Grijzaart, en een straal van uit den hoogen
Schoot neder op zijn borst. Nu tintelden zijne oogen;
En glans omscheen hem als de morgen wen het daagt.
Hy was niet meer, en scheen van de aarde weggevaagd.
Toen volgde een donder, en — ’k ontwaakte. ’t Waren droomen.
VERLOSSER, ’t is Uw geest die ’t hart vervult der vroomen,
Geen wijsheid, dan van U, geen inzicht van ’t hierna;
Mijn heil zij Bethlems Krib en ’t Kruis op Golgotha!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 26 augustus 1997