Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Godheid.

Duizend duizenden van sterren prijzen, ’s Hoogsten heerlijkheid;
Alle Wareldvolle hemelen,
Alle die hun ruim doorwemelen,
Tot in ’t eindlooze uitgebreid;
ZeŽn, wouden, afgrondkloven,
Zijn het die Zijn wijsheid loven,
Op Zijn Godswenk voortgebracht;
Bergen, rots-, en heuvelkruinen
Zijn bazuinen
Van Zijn Liefde, van Zijn macht.

Zal ik dan alleen verstommen, daar het al Zijn glorie meldt?
Kan mijn zelfbesef gehengen
Dat ik hem geen lof zou brengen,
Daar mijn borst Hem tegenzwelt?
Neen ik wil de slagpen roeren
Om my tot Hem op te voeren;
Logge geest, schiet wieken aan!
Mogen slechts dees tranenbeken
Voor my spreken
’t Staamlen mag by Hem volstaan.

’k Stamel. God! maar zie den wierook die ’t tintlend hart ontgloort!
Zoo ik ook met zonnestralen
Uwe luister af mocht malen,
’k Bracht van U geen schaduw voort.
Neen, geen schepsel durv’ ooit wagen,
Dan met de oogen neÍrgeslagen,
U te aanbidden, Bron van ’t ZIJN!
Zelfs de Geesten in den Hoogen
Dekken de oogen
Voor Uws zetels wederschijn.

Stroomen ze, U ter dienst volvaardig en van ’t heiligst vuur doorbruischt,
In een vloed van Lofgezangen,
Door geen hemelkreis te omvangen,
Die door heel Uw schepping ruischt;
Zelfs die Loftoon, hoe verheven,
Door geen stervling na te streven,
Blijft een veel te zwakke lof:
En wat wierd dan, God der goden,
Aangeboden
Van den aarworm uit het stof!

Wie beveelt miljoenen zonnen, ’t licht als praaldosch om te slaan?
Doet miljoenen wareldbollen,
In bestemde kringen rollen?
Trekt aan elk zijn eigen baan?
Wie houdt ze in ’t verband gevangen,
Waar ze in evenwicht gehangen
Leven telen en genot?
’t Is Uw adem, vol van leven,
Waar ze op zweven,
’t Is, Almachtige, Uw gebod!

Alles is door U, Ű Schepper! Gy, Gy spraakt: als bobblend schuim
Dreven wareldklompgevaarten
Van onmeleijke zwaarten
Door het eeuwig ijdel ruim.
Dwars door lucht en aard en baren
Zwierden tallooze scharen
En bevolkten ’t rijk Heelal!
En, wien ’t licth der redevonken
Werd geschonken
Huppelden in ’t vreugdgeschal!

Bergen hebt Gy opgestapeld, waar der stormen kracht op breekt,
Waar zich de oogen langs vermelden,
En van wie op dorre heiden,
Laafnis uit hun aders leekt.
Met het zachte luchtgewemel,
Met de vochtbron van den hemel,
Matigt Gy het zonnevuur,
En de daauw en malsche regen,
Afgezegen,
Koelt de dorstende Natuur.

Rondom kruiderrijke vlakten toont Gy wouden, hemelhoog,
’t Zwerk doorborend met hun toppen;
En Gy vormt uit vruchtbre droppen
Spiegels voor ’t beschouwend oog.
Lieflijk ritselt, ruischt, en klatert
’t Beekjen dat het dal doorwatert,
En verdubbelt lucht en bosch,
Daar het, door de beemd gekronkeld,
Parelvonkelt
Tusschen ’t groen der Lentedosch.

Spreiden Lentes zachte handen ’t bloemtapeet voor onzen voet;
Gouden airen zien wy zwellen,
En de purpren muskadellen
Sieren de akkers met hun gloed.
Alles, van uw hand gegeven,
Is tot blijdschap, heil, en leven;
Ook de Winter ademt lust,
Wen het aardrijk, met zijn vlokken
Overtrokken,
Als in zachte windsels rust.

’t Is door U dat ’s menschen zielsoog door de starrenkreitsen weidt:
Dat hy op ’t voorleden staren,
Wat hem nadert mag ontwaren;
Zaak en toeval onderscheidt:
Dat zijn oordeel weet te mijden,
Wanbegeerte mag bestrijden,
U in zijn bestemming leeft;
En, in ’t U geheiligd pogen
’t Stof onttogen,
Dood en graf te boven streeft!

Wie, wie kan de wondren noemen van uw teedre menschenmin!
’t Onheil-zelf, hoe ’t onwijs harte
Tegenworstelt aan de smarte,
Houdt ons zaligheden in.
Niets dan welda‚n, liefdepanden,
Vloeiden uit uw Vaderhanden.
Siddert, wie heur gaven wraakt!
Leert gy ’t eindloos minzaam Wezen
Slaafs te vreezen,
Als Zijn grommigheid ontwaakt!

Maar, de middag wordt verduisterd; ’t nachtgespuis doorzweemt de lucht;
Schrik en angst stort uit den hoogen,
’s Aardrijks bodem wordt bewogen,
Heel de dampkring huilt en zucht.
Zie den stormwind gindsche rotsen
Scheuren, brokklen, nederklotsen,
Als het broze glas vergruisd!
Wouden slingrend uitgereten,
NeÍrgesmeten,
Als een grasbloem uit de vuist!

Donkre wolkgebergten stuwen saam met dondrend schrikgeluid.
Midden uit hun zwarte spleten,
Door de horting opgereten,
Breken stroomen vuurvlam uit.
Bosch en bergen blaken, rooken;
Meeren dampen, steigren, koken;
Stroom en zee kent kil noch strand;
Leeuw en tyger vliÍn en rennen
Uit hun dennen
En ’t gevogelt’ ploft in ’t zand.

Mastn buigen, kraken, splintren, van den fellen golvenslag.
Wrakken van gesloopte kielen
Voeren ’t nat ontsprongen zielen
Waar de stroom hen dragen mag;
Met de hemelhooge baren
Nu ten wolken ingevaren,
Dan naar ’s afgronds diepste nacht,
Waar hen ’t ingewand der zeŽn,
’t Eind dier weÍn,
In zijn hollen kerker wacht.

Wie, wie, dondert in die wolken? Wie, wie bruischt in ’t stormgetij?
Wie verheft die waterbergen
Die des hemels hoogte tergen?
Spreek, verblinde Twijflary!
Maar gy zwijgt : de storm en donder,
Lucht omhoog, en zee van onder,
Roepen ’t U al brullend toe.
Lochen de Almacht vrij vermetel;
Van Heur zetel
Schokt Zy ’t aardrijk met heur roÍ.

Geef dat de adem van mijn lippen steeds Uw naam vermelden moog!
Laat het nietig onderwinden
Van een worm genade vinden,
Aartsweldadige, in uw oog!
GY die harten proeft en nieren,
Weet wat zucht ons moog bestieren,
Louter ze ons tot zaligheÍn:
Ach wat driften in ons woelen,
Wy gevoelen,
Maar GY kent ze, GY alleen.

Maar ik eenmaal voor Uw zetel met gekroonden schedel staan,
’t Zal dan met gewaagde tonen
Uwe Majesteit niet honen,
Maar den Hemelharptoon slaan.
Ű Gy langgewenschte tijden
Van een eeuwig zielsverblijden,
Spoedt op arendsvleuglen, spoedt!
Brent my na ’t voleindigd zwoegen,
’t Waar genoegen,
Vrucht van Jezus offerbloed!

Vrij na Kleist gevolgd. 1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 14 augustus 1997