Willem Bilderdyk (1756-1831)

Grootheid en Deugd.

Romeinen III, 12.

Ja, Grootheid, Deugd, zijn fraai voor ingebeelde dwazen,
Die, van den hoogmoed opgeblazen,
Omwandlen langs den weg in d’ avondzonneschijn,
En op hun schaduw zien, zich ’t arme hart vermaken,
En roepen met gezwollen kaken:
Ai, zie hoe machtig groot wy zijn !
Ja de avond van den dag der wareld, reeds aan ’t vallen,
Toont dwergjens zich zoo groot by de ondergaande zon;
Maar wacht u, op dien schijn te brallen;
Die schaduw gaat te niet, gy blijft een Myrmidon.

Maar Deugd? Een heerlijk woord in Filozoofsche boeken,
Doch waar, by wien, of hoe te zoeken?
By God. — Maar zekerlijk, dan is zy ’t uwe niet,
Maar gaaf van uit Zijn bron, die ge u niet toe moogt schrijven.
Om de eigenwaarde me te stijven,
Waarop ge u zoo veel dunken liet.
Doch neen! Geen stervling heeft aan God zijn deugd te danken;
Die heeft hy uit zich-zelf (men weet niet hoe,) geteeld. —
Wel, dan zijn ’t meer dan ijdle klanken,
’t Is lastring van uw God, zoo dra gy ze u verbeeldt.

Neen Grootheid beide en Deugd het masker afgetogen!
En, nietig in onze eigen oogen.
By Hem, by Hem-alleen het eenig heil gezocht,
Die hier op aard ’t gemoed de rust der deugd kan geven
En na de dood het eeuwig leven,
Ons aan ’t verzoenend kruis gekocht!
Ons-zelf verloochend als verdorven, als verloren,
Onvatbaar uit ons-zelf voor ’t allerminste goed!
En sluiten we ons en hart en ooren
Voor andre deugd of roem dan in ’s Verlossers bloed!

1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 18 augustus 1997