Willem Bilderdyk (1756-1831)

Hairlok.

Num tu, quae tenuit dives Achemenes,
Aut pinguis Phrygiae Mygdonias opes,
Permutare velis crine Lycimuiae?

                                        HORATIUS.

Ja, beschouw die blonde vlecht
Die ik op mijn boezem hecht.
Vraagt gy, wie zy toebehoorde?
Wie door zulk een lieve lok
Zulk een zachte zijden vlok
My ’t gevoelig hart bekoorde,
Waar mijn boezem steeds meź pronkt,
Die mijn oog steeds tegenlonkt,
’s Morgens vroeg en ’s avonds spade?
’t Is de lieve teedre Gade,
Die my God heeft toegevoegd,
Aan wier hart het mijne zwoegt.

Ja dit hair vol zonnevonken,
Heeft op ’t dierbaar hoofd geblonken,
En gemengeld met het licht
Van het minlijkst aangezicht,
In die tederste aller lonken,
Die de trouwste lotgenoot
Uit een oog vol Hemel schoot,
Wen het lachjen van heur lipppen,
’t Lieve blijwoord af liet glippen
Dat my ’t leven wedergaf,
Toen het overwicht der plagen
Die mijn boezem had te dragen
My gedompeld had in ’t graf.

Zou ik dan die lok niet eeren,
Boven ’t fijnste goud waardeeren,
Boven ’t flonkerdiamant
Van een koude borstkarkant,
Boven baggen en sieraden,
Aangebedenster aller Gaden ? —
Ja, dat zal ik, dierbre Vrouw,
Als een pand van echte trouw.
Echte trouw, die onverbroken,
Nog ’t bevrozen bloed doet koken,
Dat gy eens in vlam gezet,
En uit d’ afgrond hebt gered
Van het diepst wanhopig treuren: —
Trouw, die wrevel noch geweld,
Hoe de tijd of dood zal scheuren.
Trouw, die boven aardschen schat
Boezemzaligheid bevat,
Wonden zalvend, wonden heelend,
Hemelvrucht in ’t harte telend! —
Ja, die my zoo dierbre vlecht
Blijft op dees mijn borst gehecht!

Dierbaar Wicht, ten Huwlijkszegen
Van des Hoogsten gunst verkregen,
’k Laat u schat noch overmoed,
Maar een onverbasterd bloed
Dat zijn oorsprong nooit verzaakte,
Nooit zich laagheźn schuldig maakte,
En wanneer ik van U ga,
Dit mijn liefdepandtjen na.
Pandtjen, voor mijn hart van waarde
Boven al het goud der aarde!
Gy, beschouw het wen ik sterf,
Als een overdierbaar erf.
Boezem’ ’t u by ’s warelds vlagen
Moed om ongelijk te dragen,
Altijd warme menschenmin,
Godvrucht en vertrouwen in!
Moed, gelijk dat hart betoonde
Godvrucht, als dat hart bewoonde,
Kracht als in dien boezem sloeg
Die dit dierbaar kleinood droeg!
Tederheid en Godvertrouwen,
Als die edelste der vrouwen,
Als die moeder, welker schoot
U van onder ’t hart ontsloot,
Uit wier borst gy zuivre togen,
Deugd en Waarheid hebt gezogen,
Niet in Dichterlijken pronk
Aan heur eeuw ten voorbeeld schonk,
Maar in ’t onberisplijkst leven
God’ ter glorie heeft gegeven!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 augustus 1997