Willem Bilderdyk (1756-1831)

Hoogmoed.

Ja, dien Proteus wil ik temmen;
   Al is ’t nog zoo’n slimme gast,
’k Wil hem eens in kluisters klemmen,
   Aan de keten moet hy vast.
’k Had hem dikwijls by de slippen,
Maar hy wist me steeds te ontglippen
   En belachte wat ik deed;
Doch nu heb ik vast besloten,
Was hy ’t duizendmaal ontschoten,
   Hy zal in de boei gesmeed.

’k Heb hem eenmaal leeren kennen,
   En zijn Helsche tooverkracht,
Nu met Eenvouds duivenpennen,
   Dan met Onschulds schapenvacht;
Nu in schijn van loutre goedheid
Die gedwee aan ’s Heilands voet leit,
   En met zedig vroom gelaat,
Zich als Liefde weet te ontwikkelen,
Maar, met de eigenmin te prikkelen,
   Wonden in den boezem slaat.

’k Heb hem ’t momkleed uitgetogen,
   En zijn wieken zijn ontwricht;
Naakt, ontmaskerd voor mijne oogen,
   Staat hy daar in ’t zonnelicht.
Hoe afzichtig! hoe afschuwlijk!
Neen, geen Duivel ooit zoo gruwlijk!
   Hy bracht alle jammer voort.
Was hy me eenmaal ingevaren,
Thands zal ik dat hart bewaren,
   Dat mijn’ Schepper toebehoort.

Die zijn boosheid eens doorschouwde,
   Die hem in zijn naaktheid zag,
En den hartenplooi ontvouwde
Waar de siel zich nestlen mag;
Die de handen stout wil roeren,
En de kracht der redensnoeren
   Weet te strengelen met beleid,
Neemt hem zeker een gevangen,
Klinkt hem vast aaan ijzren stangen,
   Houdt hem in de afhanklijkheid.

Ja, zoo dacht ik; ja, zoo dachten
   Duizenden andren nevens my;
Maar vergeefsch was kunst en krachten;
   Niemand gaf my ’t in dan HY!
Ach, hy speelt met ons en dartelt;
Laat zich binden, maar ontspartelt;
   Veinst zich dood en efgetreÍn;
Doch zie daar de zware keten
Als een rag van ťťn gereten,
   en hy sleept ons met zich heen.

Daar, daar ligt hy neÍrgeslagen,
   Levenloos, versmoord, verstikt;
Nu, na zoo veel boezemknagen,
   Wordt dan eens mijn hart verkwikt.
Neen: gelijjk een slang ontkronkeld,
Wie de Hel uit de oogen vonkelt
   Daar zy naar een bloedprooi dorst, —
Als een boogpijl losgeschoten,
Of met d’ adem ingevloten,
   Vest hy weder in mijn borst.

IJdel worstlen, ijdel pogen!
   Neen, wy zijn hem niet bestand;
Wat zou ’t nietig stof vermogen,
   Tegen ’s aardrijks dwingeland?
Neen, Gy kunt ons slechts bevrijden;
’k Wil hem in Uw naam bestrijden,
   Groote JEZUS! Ű zie neer!
Hy vermeestert zelfs mijn Reden;
GY kunt hem den kop vertreden,
   Vruchtloos is mijn tegenweer.

Ja, ik wil hem wederstreven
   Tot den laatsten ademtocht,
Maar het overwinning geven
   Is aan Uw gen‚ verknocht.
Schenk die aan mijn hartebeden,
Aan de zuchten die ’t ontgleden
   In vertrouwen op Uw bloed!
En de Hoogmoed zal ons vlieden,
Needrigheid in ’t hart gebieden,
   Met oprechtheid van gemoed.

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 23 augustus 1997