Als de afgrond die steeds zwelgt, onvatbaar voor
verzading,
Is de eens ontbonden drift der ware Leeringzucht:
Geen peillooze Oceaan ontziet zy ter doorwading,
Geen bergbekloutrenspijn, noch arendsteile vlucht
Met de armen uitgestrekt omgrijpt zy s warelds polen,
Doordringt met vorschend oog in s aardsrijks
ingewand;
Grijpt starren die omhoog door s hemels vlakten dolen,
En reikt in t duisterst diep met even stoute
hand.
Maar steiger ze op op duik, doorstreef zy aard of
hemelen,
Wat is t, zoo Hooger Geest haar de oogen niet
verlicht?
Verblindend schitterlicht blijft in heur aanschijn wemelen,
En waarheid, waar ze ook blinkt, verduistert hhar
t gezicht.
o Blinde menschenwaan, wat mat ge u af tot WETEN!
Eén Wezen wrocht wat is, en spiegelt in t
gewrocht.
Geen scheemrend schijnzien, neen, mag zich den naam vermeten;
In d enklen spiegelschijn moet geen bestaan
gezocht.
Keer, stervling, in u-zelf en leer uw ziel beseffen!
Daar spreekt de Schepper-zelf, daar klinkt zijn
roepstem in.
Te Hemwaart, op den wiek die zielen kan verheffen!
En t lichaam uitgeschud, met d ijdlen
wareldzin!
Te Hemwaart! Derwaart heen met uitgestrekte banden,
Waar God en menschheid in één Heiland samensmelt!
Hy roept, Hy trekt u aan! verbreek de taaie banden,
Waarmeê u t zin-gestel de hemelwieken knelt.
Geen wijs- geen waarheid ooit, omvat dat schijnbre weten;
t Is enkle schaduwgreep, wat de aardsche
kennis biedt;
De waan die daarop rust, is schuldig zelfvermeten;
HY is
t. uit wien de bron der ware kennis vliet.
Te Hemwaart dan! nog eens. Ons boven de aard verheven!
Het oog naar t licht gewend dat uit Zijn
volheid bruischt!
Hierboven is ons deel; daar voegt het heen te streven:
Eén kennis houdt het al. Dats; JEZUS,
ONS GEKRUIST.
Ingezonden: 26 augustus 1997