Willem Bilderdyk (1756-1831)

Leerzucht.

Als de afgrond die steeds zwelgt, onvatbaar voor verzading,
   Is de eens ontbonden drift der ware Leeringzucht:
Geen peillooze Oceaan ontziet zy ter doorwading,
   Geen bergbekloutrenspijn, noch arendsteile vlucht
Met de armen uitgestrekt omgrijpt zy ’s warelds polen,
   Doordringt met vorschend oog in ’s aardsrijks ingewand;
Grijpt starren die omhoog door ’s hemels vlakten dolen,
   En reikt in ’t duisterst diep met even stoute hand.
Maar steiger’ ze op op duik’, doorstreef zy aard of hemelen,
   Wat is ’t, zoo Hooger Geest haar de oogen niet verlicht?
Verblindend schitterlicht blijft in heur aanschijn wemelen,
   En waarheid, waar ze ook blinkt, verduistert hhar ’t gezicht.
o Blinde menschenwaan, wat mat ge u af tot WETEN!
   En Wezen wrocht wat is, en spiegelt in ’t gewrocht.
Geen scheemrend schijnzien, neen, mag zich den naam vermeten;
   In d’ enklen spiegelschijn moet geen bestaan gezocht.
Keer, stervling, in u-zelf en leer uw ziel beseffen!
   Daar spreekt de Schepper-zelf, daar klinkt zijn roepstem in.
Te Hemwaart, op den wiek die zielen kan verheffen!
   En ’t lichaam uitgeschud, met d’ ijdlen wareldzin!
Te Hemwaart! — Derwaart heen met uitgestrekte banden,
   Waar God en menschheid in n Heiland samensmelt!
Hy roept, Hy trekt u aan! verbreek de taaie banden,
   Waarme u ’t zin-gestel de hemelwieken knelt.
Geen wijs- geen waarheid ooit, omvat dat schijnbre weten;
   ’t Is enkle schaduwgreep, wat de aardsche kennis biedt;
De waan die daarop rust, is schuldig zelfvermeten;
   HY is ’t. uit wien de bron der ware kennis vliet.
Te Hemwaart dan! nog eens. Ons boven de aard verheven!
   Het oog naar ’t licht gewend dat uit Zijn volheid bruischt!
Hierboven is ons deel; daar voegt het heen te streven:
   En kennis houdt het al. Dat’s; JEZUS, ONS GEKRUIST.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 26 augustus 1997