Hy wien t aan moeds faalt, om,
gewisse en God getrouw
En door geen wind geschokt, zich-zelv en Hem te leven,
Zoekt troost voor t zelfverwijt en knagend
zielberouw,
In andren van zich-zelv een valsch besef te geven;
Bekleedt zich met een schijn dien t zelfgevoel
weêrspreekt,
Zoekt, bedelt, onderkruipt, verschalkt, den lof der menschen,
En, in die wolk van damp, die t minste
windtjen breekt,
Verbeeldt zich t geen zijn hart geen kracht heeft zich te
wenschen.
Rampzaalge, keer te rug; wees wat gy wezen moet.
Hou aan de steenrots vast, geen drijfwier van den
vloed.
1825.
Ingezonden: 17 augustus 1997