Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan den Onchristen.

Die den schuldige geenzins onschuldig houdt.

Exodus XXXIV, 7.

Wat wilt ge een God die uit den hoogen
Met heilige onbezoedelde oogen,
Op ’t zwervend menschdom nederziet,
En vlek noch zonde kan gedogen}
In ’t schepsel dat Hem hulde biedt?

Hoe moet ge voor Zijn gramschap duchten,
Met hoe veel schriks Zijn aanschijn vluchten;
Daar ’t om Hem bliksemt op de schuld!
Met elk eene angst uw boezemzuchten,
Van zelfverwijting opgevuld!

Wat offer weet gy op te dragen,
Dat aan Zijn reinheid kan behagen,
Terwijl Zijn vloek u stort op ’t hoofd;
Dat uw vertwijfling kan verjagen,
Uw fellen boezemneep verdooft?

Rampzaalge! zoek, ja zoek een hoede
Voor Zijn gerechte toornewoede
In even machtige als Hy-zelf; —
Eene offerand die voor u bloede; —
Op aard, in zee, of stargewelf!

Helaas! waar zoudt ge een schepsel speuren
Dat u Zijn’ aangreep mocht ontscheuren,
Of in uw plaats voldoening gav’? —
Wat offer zal Hy waardig keuren
Om u te ontknoopen aan de straf! —

Gy, Christen kent het, voor uw zonden!
Het heeft met bloed, en dood, en wonden,
Voor u geboed en afbetaald:
’t Is in Gods eigen Zoon gevonden,
Met ’s Vaders heerlijkheid omstraald.

Ga, zoenverloochenende Heiden,
Uw valsche-deugdenleer verbreiden;
Uw God is geen rechtvaardige God:
En wee, durft ge HEM verbeiden,
Die met der menschen waanzin spot!

Zijn wraak zal een zich doen gevoelen,
Uw zelfroem zal geen gloed verkoelen
Door dolle hovaardy getergd. —
Geen zee die ’t vloekmerk af zal spoelen!
Geen afgrond zelfs, die uw verbergt!

Doch neen: keer tot Hem nog dit heden!
Verzaak den blinddoek van uw reden!
Nog heden biedt Hy u genā.
Omhels die voor u heeft geleden!
Veellicht is ’t morgen reeds te spā.

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 15 augustus 1997