Die den schuldige geenzins onschuldig houdt.
Wat wilt ge een God die uit den hoogen
Met heilige onbezoedelde oogen,
Op t zwervend menschdom nederziet,
En vlek noch zonde kan gedogen}
In t schepsel dat Hem hulde biedt?
Hoe moet ge voor Zijn gramschap duchten,
Met hoe veel schriks Zijn aanschijn vluchten;
Daar t om Hem bliksemt op de schuld!
Met elk eene angst uw boezemzuchten,
Van zelfverwijting opgevuld!
Wat offer weet gy op te dragen,
Dat aan Zijn reinheid kan behagen,
Terwijl Zijn vloek u stort op t hoofd;
Dat uw vertwijfling kan verjagen,
Uw fellen boezemneep verdooft?
Rampzaalge! zoek, ja zoek een hoede
Voor Zijn gerechte toornewoede
In even machtige als Hy-zelf;
Eene offerand die voor u bloede;
Op aard, in zee, of stargewelf!
Helaas! waar zoudt ge een schepsel speuren
Dat u Zijn aangreep mocht ontscheuren,
Of in uw plaats voldoening gav?
Wat offer zal Hy waardig keuren
Om u te ontknoopen aan de straf!
Gy, Christen kent het, voor uw zonden!
Het heeft met bloed, en dood, en wonden,
Voor u geboed en afbetaald:
t Is in Gods eigen Zoon gevonden,
Met s Vaders heerlijkheid omstraald.
Ga, zoenverloochenende Heiden,
Uw valsche-deugdenleer verbreiden;
Uw God is geen rechtvaardige God:
En wee, durft ge HEM
verbeiden,
Die met der menschen waanzin spot!
Zijn wraak zal een zich doen gevoelen,
Uw zelfroem zal geen gloed verkoelen
Door dolle hovaardy getergd.
Geen zee die t vloekmerk af zal spoelen!
Geen afgrond zelfs, die uw verbergt!
Doch neen: keer tot Hem nog dit heden!
Verzaak den blinddoek van uw reden!
Nog heden biedt Hy u genā.
Omhels die voor u heeft geleden!
Veellicht is t morgen reeds te spā.
1825.
Ingezonden: 15 augustus 1997