Willem Bilderdyk (1756-1831)

Ouderdom.

Het tiende zevental der jaren, welk getal!
De loop voleindt dus in dit wislingvolle dal
En ’t zie het eindperk. Dank! GY die my behoedde
En op wiens ademkracht mijn leven henenspoedde!
’k Zag vreugde en droefheid, maar kortstondig; twijfelbaar
Wat op den toetssteen heil, wat waarlijk onheil waar.
Uw hand schonk ’t. ’t Was dus goed, ’k erken het. ’k Heb genoten,
En lijf en leven by mijn worstling ingeschoten
Om ’t geen ik zelf kende, en echter angstig zocht,
Of ’t voor geduld en zweet op ’t aardrijk wierd gekocht.
Wat thands, wat rest my nog van ’t geen ik heb geschenen,
Met woelingen verkwist, met zorgen, zuchten, weenen;
Met dartlen mooglijk ook; of (liever) met genot
Te veinzen, deels in ernst, en grotendeels in spot;
En eindlijk, mo gesold, slechts schaduw van ’t voorleden,
My-zelv’ onkenbaar en als schaduw weggegleden!
Waar bleeft ’t, waarin ik als byzondre hemelgift
Eens juichte: doorzicht, vlijt, en Dichterlijke drift
Naar ’t schoone, zucht en smaak voor kunsten? Waar ’t vermogen
Der fijnheid van gevoel, met d’ adem ingezogen,
(In ieder zintuig hoogst zorgvuldig aangekweekt,)
Waardoor Natuur ( of ’t waar) vertrouwlijk tot ons spreekt,
En de opgetogen ziel met stoute en vaste treden
Zich in de diepten dringt van heur verborgenheden,
Ja, in de wareld meer dan enkle wareld ziet
Die zich aan ’t grof gestel ten ijdel schouwspel biedt?
Waar bleef dat scherp gevoel dat in de vingertoppen
De polsar die ik tastte in ’t onderscheiden kloppen
Erkende, in elken graad van snelheid, slag of bots,
Bedaard of hevig, zwaar of luchtig, stijf of los,
Gelijk of hipplend, glad of hortend, bruischend, kwijnend,
Belemmerd, opgezet, vrij, krampig of verdwijnend,
Flauwhartig of gesterkt, volbloedig, zwak, of kleen;
Als borende als een geest door de overkleedsels heen?
Ach ’t is verdoofd, verlamd, en weet met ijdel nijpen
Geen stuk papier, geen speld, geen koorddraad op te grijpen;
’t Gebloemte is voor mijn reuk van geur en vaag beroofd;
’t Gehoor is me nu in het oor door lijkgebrom verdoofd;
Dat steeds tot de afreis maant, die meer en meerder nadert,
En roept met stomme tang : Uw pakjens gaauw vergaderd !
(Met reden, ’t sta gereed. Mijn paspoort in de hand,
En als de bengel zwijgt, ik steek gerust van land.)
Het scherp gezicht, dat eens met schrijfpen en penceelen
Een naauwlijks zichtbaar hair kon splitsen en verdeelen,
In maan- en zonneschijn met de eigen juistheid zag,
Staart scheemrende op het schrift by min dan vollen dag.
De smaak, schoon nooit gevleid, en dien ik nooit waardeerde,
Doch fijner dan wellicht n slemper zich begeerde,
Verstompte, en ’t zag hem niet met treurig leedzijn naar:
Hy steele of kind of knaap, maar voegt geen graauwend hair.
Doch stem en adem, die voor waarheid, wet, en rechten
De pleitzaal daavren deed en de onschuld mocht vervechten,
Verzonk me in ’t hol der borst tot piepend wangeluid;
De matte tong bezweek; de dorre gorgel fluit.
De spierkracht is niet meer; de matte schouders bogen,
Met ruggegraat en gebeent’ waar ’t merg schijnt uitgezogen;
En die zich gelden deed, waar ’t nood was, als een man,
Werd zwakke grijzaart, die geen zwaard meer voeren kan.
Alleen de moed hield stand, onschokbaar in gevaren,
Die rampen trotsen kan met zuiver bloed in de aren,
Dat van zijn oorsprong nooit verbastert, maar, is ’t plicht,
De dood te moet kan gaan met onverdraaid gezicht.
Geen kleinzing meer van spijs by ’t wagglen van de tanden!
Geen kokend werken meer der slapende ingewanden!
Geen leden, dan verstramd! De knin weigren ’t lijf
Te dragen, in gewricht en bindselpezen stijf.
Slechts mijmering voor slaap, slechts duizlen by ’t ontwaken,
Verwisslen, om ’t bestaan tot overlast te maken;
En ’t taal geheugen, ’t hoofd ten boek- en voorraadschat
Dien zestig jaar verrijkt en opgestapeld had,
Sleet uit, of weigert zich, ’t vertrouwde wer te geven,
En ’t stormwer sloopt de vrucht van ’t arbeidvolle leven.
Het oordeel (ach, heb dank Hemel, voor die gift!)
Dat beeld by denkbeeld voegt, vereenigt, scheidt of schift,
Wordt werkloos, daar ’t geteelde en vlijtig opgegarde
In ’t half ontledigd brein zijn plaats niet meer bewaarde,
En de aandacht die de ziel aan ’t voorwerp als verbindt,
Met brein en zintuig zwiert als in n wervelwind.
Wat isdit leven dan? Wat bleef er my van over,
Dat nog de prooi kan zijn van d’ algemeenen roover?
En handvol stof, (niets meer!) verdroogd en uitgedord,
Dat spoedig onder de aard tot wormverknaagsel wordt.
Ziedaar dan ’t kunstgestel van de Almacht gants tot sloopen
Gedoemd, daar ’t levenspad ten einde werd geloopen!
’t Versleten kleed, gescheurd tot dragen, rafels,rag,
Bewijst het uitgediend by ’t zinken van den dag.
De nachtkoets wordt bereid. Vaartwel, gy aardsche zorgen!
Blijd leg ik ’t hoofd ter rust’, en wacht den blijder morgen,
Waar blinkende ether en onsterflijk heilgewaad
Het slijk vervangen mag dat ’k achtloos achterlaat.

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 23 augustus 1997