Willem Bilderdyk (1756-1831)

Overstrooming.

Wanneer zult gy van uwen slaap opstaan?

PROV. VI : 9.

Rijs op, mijn kind, rijs op! de dijk is doorgebroken,
Het water drong in huis en stijgt elk oogenblik. —

« Och moeder, ’k leg zoo lief in ’t zachte dons gedoken,
» En ’k was daar in mijn droom zoo machtig in mijn schik.
» Neen, stoor me niet.» — Mijn kind kom spoedig in mijne armen,
En ’k draag u met gevaar mijns levens door den stroom
. —
« Och laat ik me in het bed dan eerst nog wat verwar men,
» ’k Heb immers nog zoo ’n vaak: Nog eenmaal! red uw leven!
Vergeefs! ’t weêrbarstig kind is trefloos voor haar stem.
Wat zal zy? duldt haar hart, dat zy ’t ten prooi zal geven?
Neen, schreiend zijgt zy neêr, bezwijkt, en sterft met hem.
Rampzaalge Moeder, maar trouwhartige! ach, wy ijzen
Op ’t denkbeeld an uw zucht, uw teêrheid voor dat wicht.
Maar wat, als wijd en zijd de wareldgolven rijzen,
Waar moederzorg noch vlijt ter redding iets verricht!
Gy, zondaar ken u-zelf. De waterstroomen klimmen,
De stroomen van ’t verderf; rijs uit uw slaapzucht op!
Doch neen, gy sluimert voort, vermaakt met ijdle schimmen,
Gods liefde roept vergeefs. — Uw bloed zij op uw kop!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: augustus 1997