Wanneer zult gy van uwen slaap opstaan?
Rijs op, mijn kind, rijs op! de dijk is
doorgebroken,
Het water drong in huis en stijgt elk oogenblik.
« Och moeder, k leg zoo lief in t zachte dons
gedoken,
» En k was daar in mijn droom zoo machtig in mijn schik.
» Neen, stoor me niet.» Mijn kind kom spoedig in
mijne armen,
En k draag u met gevaar mijns levens door den stroom.
« Och laat ik me in het bed dan eerst nog wat verwar men,
» k Heb immers nog zoo n vaak: Nog eenmaal! red
uw leven!
Vergeefs! t weêrbarstig kind is trefloos voor haar stem.
Wat zal zy? duldt haar hart, dat zy t ten prooi zal geven?
Neen, schreiend zijgt zy neêr, bezwijkt, en sterft met hem.
Rampzaalge Moeder, maar trouwhartige! ach, wy ijzen
Op t denkbeeld an uw zucht, uw teêrheid voor dat wicht.
Maar wat, als wijd en zijd de wareldgolven rijzen,
Waar moederzorg noch vlijt ter redding iets verricht!
Gy, zondaar ken u-zelf. De waterstroomen klimmen,
De stroomen van t verderf; rijs uit uw slaapzucht op!
Doch neen, gy sluimert voort, vermaakt met ijdle schimmen,
Gods liefde roept vergeefs. Uw bloed zij op uw kop!
1825.
Ingezonden: augustus 1997