Willem Bilderdyk (1756-1831)

Rechtspraak.

   Quod enim est jus, quad neque inflecti gratia, neque
perfringi potentia, neque adulterari pecunia possit.
                                                                  C I C E R O.

Waar is, waar was, ooit wet of regelmaat gesticht,
Die voor geen gunst, geen goud, geen macht of invloed zwicht?
Wat wederstaat op aard dat viertal van tyrannen,
Die dikwijls met elkar voor ’t onrecht samenspannen,
De weegschaal zinken doen by ’t siddren in de vuist
Die ze aangreep, voor een drift die door den boezem bruischt,
De gunst in ’t lijnwaad kleedt van menschlijk mededogen,
De schittring van het goud ontvlammen doet in de oogen,
Of de eerbied voor ’t gezag (hier plichtlijk wederstaan,)
Den scherpen waarheidsblik bedremmeld ner doet slaan,
Of onbemerkt vergif waarvan de hersens draaien
De hand en d’ evenaar gelijklijk om doet zwaaien?

   Ach, weet gy ’t, wat het heet, gy Rechters, prat op macht,
Als m’, in zich-zelv’ gekeerd, den rechteplicht betracht;
En God ten tuige neemt by elke vonnisvelling?
Dringt ge al het foltrend door de enge hartbeknelling,
Als zich ’t gemoed beproeft voor hooger rechterstoel,
Of niet een heimlijk iets zich mengt aan ’t zielsgevoel,
Waardoor ’t geene inspraak is van onvervalschte waarheid,
Maar, zwakte of wanbegrip als drwalmt door haar klaarheid?
Is elk te rugzicht op uw zelfheid afgesnen?
Doen geen vooroordeel, trek, geneigd, afkeerighen,
(U-zelven in dit uur misschien nog diep verholen,
Maar ingeweven in uw denkwijs,) ’t oordeel dolen?
Met n woord, is uw hart zoo onberisplijk rein,
En is ’t zoo onbewolkt, zoo helder, in uw brein,
Of de Almacht in wier naam gy ’t vonnis staat te vellen,
Den spiegel van zich-zelve in u had voor te stellen?
Geef andwooord, zoo gy ’t durft, rampzalig menschenkind,
Of sidder voor den God wiens plaats ge u onderwindt!

   Ja, ’k moest, en menigwerf, dien droeven plicht vervullen,
En smeekte die alleen de waarheid kan onthullen;
Doch wat het inheeft, om zich ’t doemwoord van het hart
Te scheuren, weet het mijne en denkt het na met smart?
Ach, wat is ’t blijken in onze oogen, Hartdoorgronder!
Sluipt, by ’t volkomenst licht, daar niets dat blindhokt, onder?
Is de overkruissing-zelv vna ’t geen zich samenpaart
Geen oogverstrikkend net, waar ’t oog op schemerstaart;
En kan ik draad voor draad ontraaflen en ontknoopen,
Die dikwerf met den wil in de uitkomst samenloopen,
Maar dikwerf zonder wil, ja, tegen wil of wensch,
De schijnschuld wierpen op den schuldeloozen mensch?

   Neen, nimmer kon mijn mond, dat woord van schuldig uiten,
Mijnhart tot zekerheid van gruweldan besluiten;
’t Heeft nooit veroordeeld, nooit verwezen tot de straf:
De Wet was ’t, door mijn mond, niet ik, die de uitspraak gaf.
De Wet-zelv schreef my voor, hetgeen by ’t vonnisstrijken
Den Rechter gelden moet voor onomstootbre blijken.
Haar uitspraak: dit is blijk, berust in ’t Staatsverdrag,
En zy is ’t, die regeert, in ’t Rechterlijk gezag.
Waar zulk een blijk bestaat, zal elk der Staatsbond-leden,
Als op de stem van God den schanddood tegentreden;
Hy moge in ’t vrij gemoed zijne onschuld in zijn bewust,
Hy sterft (God voegde ’t dus) kloekmoedig en gerust;
Hy is ’t den Burgerstaat wiens wet hy heeft gehuldigd,
Voor ’t algemeen belang, hoe schuldloos ook, verschuldigd.
En elke Rechter spreekt: Mijn ziel heeft zich bevrijd,
Slechts dienaar van die Wet, waardoor wie ’t zijn moog lijdt.

   Dan, wat al zorgen ter beproeving dier bewijzen!
Hoe deden ze ons het hair van angst te berge rijzen,
Of mooglijk in ’t geringst van ’t geen die wet bepaalt,
Gewankeld worden mocht, geschemerd, of gedwaald!
Wat kostte ’t, eer mijn hart, zich-zelven dorst verklaren:
Ik heb mijn plicht voldaan, en vrees geen zielsbezwaren.
Zoo zelfs een later tijd hier de onschuld bracht aan ’t licht.
Dit bloed verklaagt my niet voor ’s Hoogsten aangezicht.

   Doch wat, indien geen Wet, maar ’t opgevatte meenen,
Waar Wet noch regelmaat een steunsel aan verleenen,
Voor oordeel gelden mag? De feilbre sterveling,
Hangt, blindlings d’ indruk aan die ’t argloos hart ontfing,
En durft en daad en wil zijns naasten stout beslissen,
En lezen in zijn ziel en haar geheimenissen. —
’k Ben overtuigd. — Maar hoe? Ja, weet gy wat dit zegt,
Wiens overtuigd zijn van uws naasten lot beslecht?
Rampzaalgen,die van ’t bloed de bloedschuld op zich halen,
Dat voor hun wanbegrip nu schuldloos zal betalen!
Is u onmooglijkheid gebleken, dat ge niet
Ten halve, niet verkeerd, geen schijn voor waarheid ziet?

   Helaas! wie zijn het, aan wier uitspraak, geen belangen
Van huis en welvaart, maar elks leven af moet hangen?
Zijn ’t Grijzaarts, in het recht van jongs af wel doorkneed;
Wier afgeloelde bloed van geen verhitting weet;
Wier lange ervarenis by afgestorven driften
Hen schijn van waarheid, recht van schijnrecht heeft doen schiften?
Die ’t leven wijdden aan de kennis van den plicht?
In wie een hemelstraal het Christenhart verlicht?
Zoo zag ik ze eenmaal, ja, met achtbaarheid omgeven,
Waar Englenstaatlijkheid hen boven ’t hoofd te zweven
En zaal en wanden scheen te heilgen door ’t ontzag
Eens Tempels, die geen voet onheilig naadren mag,

   Zijn ’t nog die Eedlen, van Oud-hollnds aart doortogen,
Wie Vaadren braafheid, uit de Moederborst gezogen,
Onvatbaar maakt, door ’t bloed geroepen tot gezag,
Voor lage af hanklijkheid in denken of gedrag : —
Die, Vorsten achtbaar, wien ze in vrede- en oorlogstijden
Omstuwden en dat bloed met hart en leven wijdden,
De vaadren zijn van ’t volk, hun rijkdom en hun eer;
Beminlijk en geducht in tabbaart, en geweer ? —
Neen; van den mengelklomp, uit alle wareldhoeken
Gevloeid, om waar ’t ook zij, of brood of geld te zoeken,
En dan door ’t dobbelspel dat lang reeds Handel heet,
Verrijkt met hoopen gouds, in weeldrigheid besteed,
(En mooglijk uit een ras, met ’s Hemels vloek beladen,)
Zal de een en de andre dwaas naar schuld of onschuld raden;
En by die ’t zwaard des Rechts in naam der Godheid zwaait;
Straft naar de dwarrelwind in ’t hoofd dier ezels draait.

   Zie daar de Britsche en Fransche en algemeene wijsheid!
Werd dan de wareld kindsch, en mijmert ze in heur grijsheid,
Dat onverstand en waan en onbedrevenheid
In alles wetten geeft? dat kennis en beleid
In kluisters liggen met den muilprang op de lippen?
Mag Waarheid dan geen woord, geen zucht zelfs meer ontglippen?
Keert Spanjes dwinglandy met al haar gruwlen wer ? —
Ja, Nerland, dit’s ’t gevolg dier nieuwe Vrijheidsleer.
Die stortte uw outers, die uw Staatsgebouw in duigen;
Die doet u onder ’t juk van Hel en Duivel buigen,
Ontneemt u ’t menschlijk recht, het brood van uit den mond,
Uw kinders uit uw arm, breekt liefde en Echtverbond,
En stort het weerloos kroost een beestlijk gift in de aren,
Om alle plagen op uw schedels faam te garen.
En gy, gy neemt gedwee het Godloos vloekmerk aan?
Ja, Nerland, ja gy moet, gy wilt, gy zult vergaan.

   Dank zy voor ’t minst aan U, Koning, welke banden
Den scepter, dien gy voert, belemm’ren in uw handen,
Dat ge ons ’t verfoeisel dier Gezwoornen hebt ontscheurd!
Ach, zie op ’t jamm’rend volk dat aan uw voetn treurt;
Herneem Uw waardigheid, doe elk Uw wetten eeren,
En laat geen onverstand de waarheid meer braveeren!
Herstel de Godsdienst in heur rechten, geef ons kroost
Hun dierbren Heiland wer, der Vaadren steun en troost;
Duld geen verguizing van zijn Zoenbloed; stoor de snoden
Die Hem ontzetten, en hun gruwelgeest vergoden!
Hoe! wierp men daarom dan het Pauslijk halszeel af;
Greep daarom Nassaus hand den zegenrijken staf,
Op dat in ’t dom bedwang van laffe Godverzakeren
De bliksem van Gods wraak ons ’t schuldig hoofd zou blakeren,
En, domplende in den poel van Duivlentyranny,
De vloek verknocht zou zijn aan ’t ijdle woord van VRIJ?

   En gy, dierbre spruit die (’t zij in beter dagen!)
Den scepter voeren moet, uw stamhuis opgedragen,
ORANJE, in ’t wiegjen reeds de hoop van ’t Vaderland,
In wien de aaloude moed van zoo veel Helden brandt!
Ik weet dat in uw hart, het mijne kan ’t gevoelen,
(Wat stormen om U heen, wat in uw binnenst woelen,)
De stem des Christendoms zich opheft. Ja ’t beproeft
Hoe zeer ’t gemoed den God die voor ons leed, behoeft.
Zij ’t beginsel U gezegend van dit pogen
Der ziel, die in den wensch reeds opziet naar den hoogen!
Van Hem is ’t, die U roept, uw stamhuis steeds bewaakt,
En dien geen Nassau ooit miskend heeft of verzaakt.
Mogen we in uw schuts, mogen onze telgen
De macht des Heldraaks voor uw voeten zien verdelgen!
Den naam van JEZUS en de Zoenleer in ZIJN bloed
Wer heerschen zien op throon, in Staatskerk, en gemoed! —
Wer heerschen ? — Ja, mijn Prins: wie immer samenspanden,
Zy breekt, als ’t machtwoord klinkt, door kerkers heen en banden.
En ja, ’t zal klinken ! de aard zal schokken van ’t geluid,
En Jezus naadren tot zijn uitverkoren Bruid
U wachten tijden, groot, ja grooter dan uw Vaderen
Beleefden. Rust u toe met nieuwe kracht in de aderen;
Hy zal ze U schenken. Zie ten Hemel op — en leef!
En — valsche grootheid van de warelddwingren ! beef !

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 19 augustus 1997