Willem Bilderdyk (1756-1831)

Standvastigheid.

Philippenzen I, 27.

Ja daar zijn nog Godgezinden,
Scharende onder JEZUS vaan;
Die in spijt der wervelwinden
Ongeschokt in ’t harnas staan.
Laat het Noord verwoesting blazen;
’t Zuiden blaakren met zijn gloed;
Niets zal ooit hun hart verbazen,
Niets verdooft hun heldenmoed.

Jezus stort hun kalmte in ’t harte,
Hoe de noodstorm bruischt en giert,
Hoe de nevelnacht verzwartte
Waar de moedwil rond in zwiert:
Hel en wareld saamverbonden
Rukken brullend op hen af!
’t Oog gevest op Jezus wonden
Sluit de muil van Hel en Graf.

Worstlen wy met eigen boosheid
In het hart nog wortelvast!
En — geweld noch Duivlen loosheid
Die den Christenmoed verrast!
Zien wy op tot ontferming
Die ons opriep tot den strijd;
En wy missen geen bescherming,
In Zijn bloedstroom ingewijd.

Gy, Verlosser, nooit volprezen,
Gy laat immers aan mijn zij’,
Wat is me ooit met U te vreezen
Die Uw grooten naam belij’!
Gy, Gy kent Uw keurlingen,
Willig in Uw wapendosch;
Hen die Uwe glorie zingen,
Wat U tegenstaat ten trots!

Ja, de Blijmaar is verkondigd:
Jezus heeft voor ons geleên;
Door Zijn Godlijk bloed ontzondigd,
Zijn wy met dien Heiland één.
Aan die rots is geen verwrikken;
Veilig op heur grond gevest,
Zal geen stormvloed osn verschrikken,
Door den vijand opgeprest.

Hier, van Zijn belofte zeker,
Wachten wy ’t onzachlijk uur,
Dat Hy, langgetergde wreker,
Nadere in verteerend vuur:
Dat Hy wat hem moog weêrstreven
Met Zijn oog verplettren zal,
En de zijnen voer’ ten leven
Op de wrakken van ’t Heelal!

1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 16 augustus 1997