Willem Bilderdyk (1756-1831)

Stervenshoop.

Joannes X, 28.

Hoe zoude ik langer leven vragen?
Neen, God behoed’ my voor dien wensch!
Neen, ’k hang aan ’t Goddlijk welbehagen:
’k Ben aardsche klei, gevallen mensch.
Ik willen? ik mijn lot bestieren,
In oproer tegen Gods besluit?
Een dwaze zucht den teugel vieren?
Neen, voer’ Hy Zijnen raad slechts uit. —
Maar vindt ge u wel-bereid tot sterven?
Dien vreeschelijken overgang!
’t Zij weinig, ’s warelds lust te derven;
Daar is een andre hartenprang.
Bezoedeld met een reeks van zonden,
Gaapt de afgrond u verschriklijk aan. —
Ik vind mijn troost in Jezus wonden,
Hy heeft voor al mijn schuld voldaan. —
Gevoelt ge dan uw hart niet knagen
Om ’t geen gy in u-zelven haat? —
Dit port my, om, dien prang ontslagen,
Te haken naar volmaakter staat. —
Is uw gelooven dan zoo krachtig,
En eigent gy u Zijn zoenbloed toe? —
Zijn liefde en Heilgunst is almachtig;
Doorgrond ik-zelf wel wat ik doe? —
Is dan uw hoop zoo onverwrikbaar,
En tegen Hel en Dood bestand? —
Wat is er voor de ziel verschrikbaar
Die eens zich gaf in Jezus hand? —
Doch zoo u ooit ’t geweten griefde,
Wat is er daar uw hoop op rust?
Op ’t diep gevoel van Jezus liefde,
Die ons de Hel heeft uitgebluscht:
Op Gods onwrikbre voorbestemming,
Die, wat men zorg’, voorzie, of tracht’,
Geen wederstand ontmoet of stremming,
Maar steeds genadig wordt volbracht.
Hier, hiervoor dank ik U, mijn Vader!
Die was my steeds in ’t hart geprent;
Die, hoe ik meer naar ’t einde nader,
Wordt me immer helderer erkend.
God, gerust op Uw Genade,
Volstrekt onwankelbaar als GY,
Betrouw ik U mijn kroost en gade,
En in de stervensangst ook my.

1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 17 augustus 1997