Willem Bilderdyk (1756-1831)

Vaderlijke les.

(Spreuken III.)

Vergeet, gy adem van mijn leven,
Gy wien mijn bloed door de aders vliet,
De zoon my door Gods gunst gegeven!
Vergeet de les uws Vaders niet.

Zy zal de lengte van u dagen
Verdubblen in het heilgenot,
De vrucht van ’t Hoogsten welbehagen;
En zaligen u ’t aardsche lot.

Zachtmoedigheid, met liefde en vrede
En trouw aan waarheid, eer, en plicht,
Bestiere uw voet by elke schrede,
En blijve u altijd voor ’t gezicht!

Ja, fier’ ze u als een gouden keten
Den boezem, grif haar diep in ’t hart;
En wandel met een rein geweten,
Steeds onbekend met wroegingsmart.

Vertrouw op God, Hy zal u leiden;
Niet op uw menschelijk begrip:
In ’t goed van ’t kwade te onderscheiden,
Verzeilt men lichtlijk op een klip: —

Hy schonk ons ’t reedlijk denkvermogen,
Maar vordert onderworpen wil:
Veracht wie wijs is in zijn oogen:
Gy, maak uw’ Schepper geen geschil.

De Godgetrouwheid teelt betrouwen,
Staat op Zijn heilwoord onverkwikt,
En is, onvatbaar voor berouwen,
Wat nog in ’t stervensuur verkwikt.

Beweeg’ ’t genot van ’s Hoogsten gave
Uw hart tot zulk een dankbaarheid,
Die van de u toegebrachte have
De vruchten om u heen verspreidt!

Ja, deel wie in gebrek versmachten,
Van ’t uwe als opgeschoten leen;
Maar fluit geen oor voor jammerklachten,
Verhard uw hart niet voor geween.

God zal ook u, ook u verhooren,
U bystaan in wat nood u klemt:
Geen weldaad ging er ooit verloren,
Het loon heeft de Almacht voorbestemd.

Maar streel in ’t edelmoedigst geven
Uw boezem niet met d’ ijdlen waan,
Als of ge iets loflijks had bedreven,
En meer dan d’ englen plicht voldaan.

Ach! al ons doen is onvolkomen,
Met zonde en eigenzucht ontsteld;
En ’t wordt van God niet aangenomen
Als offer dat tot zuivring geldt.

Neen, in ’t gevoel van ’s Heilands lijden
En ’t deelgenootschap aan Zijn bloed,
Zich-zelf en alles Hem te wijden,
Dit geeft Hy-zelf u in ’t gemoed!

Moet echter ’t leed ook u vervolgen,
Wederstreef niet, bid en lijd!
Het vaderhart is niet verbolgen,
Wanneer hy ’t dierbaar kind kastijdt.

Laat drift noch wanhoop u beroeren,
Maar neem Zijn slagen dankbaar aan.
Zy zullen u in ’t heilspoor voeren:
Hy-zelf is lijdend voorgegaan.

Ach, voor- en tegenspoed verschelen
Alleen in ’t uiterlijk gelaat:
Ook ’t wonden van Gods hand is heelen;
Zijn’ vrijgekochten deert geen kwaad.

Mijn Zoon! moog langs effen banen,
Uw leven glijden als een stroom,
En nooit besproeid zijn met uw tranen,
Maar vloeiende van most en room!

Vermochten ’t de ouderlijke beden,
Van dag tot dag voor u gestort,
In de vergunde zaligheden
Schoot aarde en hemel-zelf te kort.

Doch wat Gods raad u moog bereiden,
Wees in uw Heiland steeds getroost!
Wie Hem (en waakzaam) mocht verbeiden,
Die heeft by de uitkomst nooit gebloosd.

Mijn kind, gy zijt Hem opgedragen,
Zijn eigendom, zijn schuts en zorg:
Die alle tranen af zal vagen,
Bleef voor u by Zijn Vader borg!

En ik, wat zoude ik meer verlangen,
Daar ik me in ’t graf ter nachtrust vlij,
Dan, stervend u in d’ arm te prangen?
Mijn hart, mijn zegen, blijft u by.

Gy! denk, in smart of dartle weelde,
In ’t wareldruischen of alleen:
De hand die me op zijn doodbed streelde,
Wijst me uit het graf naar Jezus heen!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 21 augustus 1997