Willem Bilderdyk (1756-1831)

Vaderzucht.

(Spreuken X.)

Het dierbaarst dat ooit mensch bejegent,
Van al wat dierbaarst is op de aard,
Is, met een Zoon te zijn gezegend,
Geheel zijns Vaders liefde waard.
Een Zoon, zijns Vaders les betrachtend,
Zijne ouders eerend met ontzag,
En alles voor den plicht verachtend,
Wat anderen verlokken mag.

Gy, gezegende uit den hoogen,
Die in uws Vaders arm geprangd,
By ’t luiken van zijn brekende oogen,
Zijn jongsten ademtocht ontfangt!
Zijn ziel, ten boezem uitgevaren,
Zal niet verschijnen voor Gods throon,
Of eindloos met der Englen scharen
Den zegen smeekren voor dien zoon.
Ja, de Almacht zal die be verhooren;
Gods Engel, waken om zijn zij’;
En ’t oog der zaalge Hemelchoren,
Hem volgen door dees woesteny.

Neen, schatten der verganklijke aarde
Zijn rook, die ’t hart slechts walging geeft;
Maar Hemelwijsheid heeft een waarde,
Waardoor de ziel het leven heeft.
God laat d’ oprechte niet versmachten
Die deze wijdheid zoekt en vindt;
Maar wat Godloozen samenbrachten,
Verstuift Hy door een wervelwind.
Wees braaf, wees vlijtig; zaai gestadig,
In uitzicht op een spijzende oest,
Op dat die Godshand u verzadig’,
Die wat de booze plant, verwoest. —
Mijn dierbre telg, wees zachtmoedig!
Vertroost waar ’t leed een hart beknelt:
De hand des wreedaarts, fel en bloedig,
Verdort in ’t plegen van ’t geweld.
De wijze steunt op Gods geboden,
En staat wanneer de booze stort:
Bewandeld ’t pad niet met den snoden,
Of die des naasten recht verkort. —
Hou hart en lippen, mond en oogen,
In band, en koester liefde en vre:
En woord wrocht dikwijls orelogen,
Een wenk bracht haat en doodslag me.
Laat Wijsheid uwe tong bestieren:
De dwaas spreekt eigen vonnis uit,
En (met zijn’ trots den toom te vieren)
Wint schaamte en onwil tot zijn buit,
De wijze bouwt, en ’t zal gedijen,
Breidt kennis uit, die zielen laaft;
De dwaas ploegt barre woestenyen,
En ’t is tot oner, wat hy slaaft.
De wijze zal zijn erf omwallen;
De dwaas gaat in ’t gebrek te grond,
Zijn sterkte zal tot puin vervallen,
Hoe vast zy ook geworteld stond.
Het pad der Wijsheid voert ten leven;
Maar wee hem, die de tucht versmaadt!
Met ’s warelds lusten aan te kleven,
Onttrekt ons God zijn toeverlaat.
De dwaas drijft spel met eigen schande;
Mijn Zoon, hou gy uw boezem vrij.
Die eens met de ondeugd samenspande,
Is ’t eeuwige verderf naby.
’t Is uit met zielrust, reine weelde,
Waar eens verboden wellust blaakt;
De vrucht van ’t nawee dat zy teelde,
Wordt tot des levens eind gesmaakt.
Godloosheid heeft ook zonder reden;
Maar ’t is ’t Gewetn dat hem wroegt;
Dit drijft de siddring door zijn leden,
De zielangst, waar hy onder zwoegt.
Dat spelt wat eens hem overkomen,
En als een donder treffen zal;
Maar ’t kalm genoegen van de vromen
Hangt aan geen weiflend lotgeval.
God leidt zijn gunstling door de vloeden,
Vervult de wenschen van zijn ziel,
Ja, zal hem, struiklend, nog behoeden,
En ’t hoofd verheffen zoo hy viel.
Gen, vergeving, en verzoening,
Verknocht zich aan zijn zielsberouw;
En in zijns Heilands schuldvoldoening
Blijft Gods beloftenis getrouw.
Stap, dierbre Zoon, met dezen zegen
Het pad des aardschen levens door!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 21 augustus 1997