Wat zing ik, wat zing ik? mijn hart wil een zang,
En tracht zich een voorwep te vinden;
De drift van mijn boezem weêrzet zich den prang
En is in geen banden, geen ketens, te binden.
Wien zing ik, wien loof ik, dan U die my schiept,
Tot leven, tot waarheid, tot zaligheid riept,
Gezeteld op vleugels der winden!
Gy, God, wil mijn offer van t zuchtend gemoed,
Daar t wemelt en kronkelt in t steigeren
Als walmen van t laauwe verwaasemde bloed,
Den toegang tot U, tot uw zetel niet weigeren.
Gebied aan den Seraf met zuizende vlerk
Dat hy het om hoog voer door t ruischende zwerk,
Door t midden der gieren en reigeren.
Door t midden van t gieren- en reigrenbroed
Met klaauwen, met spitsen gewapend,
Het luchtruim beheerschend met moordenden stoet,
Naar prooi immer rustloos en grijpend en gapend;
Dat, als zich het hart ter verheffing ontsluit,
Zoo dikwijls de zuchten in t opgaan vrijbuit,
Ën nooit ter verdelginge slapend.
ô Zalig, wiens zuchten, wiens heden, wiens angst
Tot U door den roofstoet mag dringen,
Die, eindloos aan t loeren, aan t gieren op vangst
U t offer der Uwen steeds trachten te ontwringen!
Genadige! ô pletter en bliksem ze neêr;
Of schenk onzen tonen de hemelkracht weêr
Waar s Hemels Choralen meê zingen!
Die kracht, waar de Helmacht, de luchtgeest voor vliedt!
Die heiligheid uwer Truanten!
Stort die in mijn boezem, schenk die aan mijn Lied,
By t vlammende vuur van uw Hemelgezanten!
Zoo keeren mijn zuchten tot louteren dank,
Zoo smelt ik met hun tot één enkelen klank,
Van zalige Hemelverwanten!
1824.
Ingezonden: 14 augustus 1997