Willem Bilderdyk (1756-1831)

Zangzucht.

Wat zing ik, wat zing ik? mijn hart wil een zang,
En tracht zich een voorwep te vinden;
De drift van mijn boezem werzet zich den prang
En is in geen banden, geen ketens, te binden.
Wien zing ik, wien loof ik, dan U die my schiept,
Tot leven, tot waarheid, tot zaligheid riept,
Gezeteld op vleugels der winden!

Gy, God, wil mijn offer van ’t zuchtend gemoed,
Daar ’t wemelt en kronkelt in ’t steigeren
Als walmen van ’t laauwe verwaasemde bloed,
Den toegang tot U, tot uw zetel niet weigeren.
Gebied aan den Seraf met zuizende vlerk
Dat hy het om hoog voer’ door ’t ruischende zwerk,
Door ’t midden der gieren en reigeren.

Door ’t midden van ’t gieren- en reigrenbroed
Met klaauwen, met spitsen gewapend,
Het luchtruim beheerschend met moordenden stoet,
Naar prooi immer rustloos en grijpend en gapend;
Dat, als zich het hart ter verheffing ontsluit,
Zoo dikwijls de zuchten in ’t opgaan vrijbuit,
n nooit ter verdelginge slapend.

Zalig, wiens zuchten, wiens heden, wiens angst
Tot U door den roofstoet mag dringen,
Die, eindloos aan ’t loeren, aan ’t gieren op vangst
U ’t offer der Uwen steeds trachten te ontwringen!
Genadige! pletter en bliksem ze ner;
Of schenk onzen tonen de hemelkracht wer
Waar ’s Hemels Choralen me zingen!

Die kracht, waar de Helmacht, de luchtgeest voor vliedt!
Die heiligheid uwer Truanten!
Stort die in mijn boezem, schenk die aan mijn Lied,
By ’t vlammende vuur van uw Hemelgezanten!
Zoo keeren mijn zuchten tot louteren dank,
Zoo smelt ik met hun tot n enkelen klank,
Van zalige Hemelverwanten!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 14 augustus 1997