Willem Bilderdyk (1756-1831)

Zingen.

Apocalipse XIV. 4.

Natuur, als zy ’t geboomt’ op nieuw met bladers dekt,
Den veldgrond met een kleed van bloemen overtrekt,
En ’t vreugdewekkend West met wer ontbonden vlerken
Een nieuwen adem blaast door wei’ en wandelperken,
Schenkt aan ’t herlevend bosch een talrijk zangrenchoor
Dat hart en boezem naar om hoog trekt door ’t gehoor;
Maar schaars is ze in ’t getal van menschelijke zangeren
Wie ’t echte hemelvuur des Dichters mag bezwangeren.
Ach! waarom is by ons, op ’t Godlijk beeld zoo fier,
De Dichtgaaf zoo beperkt, zoo koud en zonder vier!
Waar, waarom mag ons hart den echten toon niet treffen
Die Englen waardig is, die boezems kan verheffen?
Wat kruipt, wat breekt de stem die uit ons binnenst welt.
Wanneer het de eer van God, den hoogen Lofzang geldt?
Hoe valsch is ’t orgel in de klanken die ’t doet rijzen
Om de Almacht, om Zijn werk, om Zijn gen te prijzen!
De dag, de nacht, ’t Heelal, vloeit over van Zijn lof:
Gy, stervling, bloos van schaamte en duik uw hoofd in ’t stof!

      ’t Heelal vermeldt Zijn lof — en gy, gy zwijgt, ontaarde!
Of, zoo uw hand de harp tot zijn vereering snaarde,
Hoe weinig stemt zy met het heilig Choormuzijk
Der zuivre Geesten van het vlekloos vreugderijk!
Ach, vruchtloos schijnt ons ’t hart van hooger vuur te ontgloeien,
De hartetoon verstomt en weigert uit te vloeien:
Verstommen, ja, is ’t al; verstikken in ’t gevoel
Is ’t eind der poging die geen opslag waagt naar ’t doel.
En dit is ’t schepsel dat bestemd was, met Gods Engelen
In ’s hemels melody een zuivren toon te mengelen!
Hoe diep vervallen, ach Gy weet het, mijn God,
Hoe laag beneden ’t peil van ’t hem verordend lot!
Wat is d’onzaalgen mensch, van ’t eens zoo zalig leven
In de onschuld, op deze aard vol weedom nog gebleven?
Wat, in den jammerpoel van eindeloos beklag,
Van ’t voorrecht over, waar zijn ziel naar dorsten mag?
De onnoozelheid verdween; de schat, die alle gaven
Omgrijpt, verviel tot niet: en, laffe zondenslaven
Voor Englenspeelnoots, nu als wormgebroed in ’t zand,
De steilste ontzonken van hun eerverheven stand,
Verstommen we als het vee; of smooren in de klanken
Die ’t hart nog opwelt in zijn dorstgevoel tot danken,
Maar die geene onschuld meer, door zonde en vloek verjaagd,
Op zuivre duivenvlerk door lucht en wolken draagt.
Wy zingen — maar helaas! waar zijn die Dichtrenstemmen
Die ’t woest vertijgerd hart, die wolvenvraatzucht temmen?
Waar lokk zy het woud? waar dringen zy den steen
Der boezems door, verhard in ’s warelds spoorlooshen?
Waar sust het golven, waar orkanen daar zy woelen?
Waar roemt het zich, in ’t hart begeerte of wraak te koelen?
Ach, Dichters, al uw kracht, uw glorie, ging voorby,
Verdichting is uw naam, gewaande Pozy!
Verdichting, ijdel spel van schimmen, hersenspoken,
Verbeeldings guichlary, wanneer zy ’t bloed doet koken,
Waar de ijdelheid omwolkt in dartelt, juicht, en lacht,
Maar ’t hart geen deel in heeft als ’t naar genieting smacht.
Gy, zoudt ge, Pozy, gy teelt der Hemelzalen,
Als manna, van omhoog in snode boezems dalen?
In boezems die gy niet zoudt loutren door uw vlam?
Gy, waarheids zielsgevoel, van meer dan schepslenstam!
Gy, echt hemelgaaf, wat zijt ge, dan te ontblaken
Van heilig vuur; zich-zelv’ aan aarde en stof te ontschaken
En op te stijgen in verrukking? — Englendom,
Uw wieken vraagt by niet wien ooit die vonk ontglom!
Hy leeft zijn’ Heiland, (niet zich-zelven,) en zijn zingen
Is smelten van den gloed der hooger Hemelkringen
Waarin hy opvaart en zich d’aandrang overgeeft
Des ongezienen Geests die om, die door hem zweeft.
Dit, dit is zingen; — niet ons piepend, krijschend huilen
UIt donkre somberheid van nevelvolle kuilen,
Waarop we in wanroem ons vergasten: Tonen, de aard
En wie haar toebehoort, geen vrije Geesten, waard!
Gol, die ons redt an uit dees duistre kolken,
Ons toewenkt, tot U trekt, en boven lucht en wolken
Verheft, wanneer Ge Uw liefde in ’s menschen boezem stort,
En ’t strerflijk aanzijn tot vergeestlijkt leven wordt:
Hoe welgelukkig wie zoo zingen, lofzang zingen,
Dankgalmen storten mag, die ’t Choor der hemelingen
In ’t steigren opvangt en met eigen zang vermengt
Tot Hemelmelody die ’t U ten offer brengt!
Dien zang gelijkt geen woud, geene aard vol nachtegalen,
Geen Lentefeestgeluid van duizende choralen,
En Gy neemt ze aan, God, Gy die ze in ’t harte schept!
Geene aard die ’t dichtvocht uit onzuivre bronnen lept,
Geen hart, dan ’t geen Gy-zelf in ’t dorstend boezemhijgen
Tot U, tot ’s levens wel, vergund hebt op te stijgen!
Zalig wien Gy ’t schenkt! Dat ik ’t smeeken mocht,
n drop slechts, slechts n drop van dat Genadevocht!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: augustus 1997