ô Miseras hominum mentes! ô pectora coeca!
L
U C R E T I U S.
ô GOD den
Heiland wien ik niets, ja zelfs den naam niet ken,
(Ik, nietige, als ik ben!)
Dan door den Heiland, die met menschlijk vleesch omwonden,
Bewogen met ons leed,
U toonde in geest en kracht, en, offer voor mijn zonden,
In hem aanbidden deed.
Gy, oorsprong van wat is, van al wat schijnt te wezen,
Maar eenig, eeuwig ZIJN;
Wiens Almacht we in t heelal, in heel ons aanzijn lezen,
In nacht en zonneschijn!
Almachte, Oneindige, Onbegrijpbre Warelkdstichter,
Die t al omvat, vervult;|
Die, aller wezens Heer, en aller daden Richter,
Geen vlek, geen rimpel duldt;
Wien niets ontvlieden kan, weêrstaan, of zich verbergen!
Wie zijn wy, die t bestaan
Uw mogendheid, Uw kracht, Uw albestuur te tergen,
Wy, schimmen die vergaan!
Wy worstlen tegen U ! wy met verstokte
harten
De donders van Uw vuist
In opgeblazen waan op t trotsche voorhoofd tarten,
Van enklen wind doorbruischt!
Wy ! of t een daad van U, ja zelfs een wil behoefde,
Te ontscheppen t geen Gy wrocht!
Of schaduw tegen t licht een worstelstrijd beproefde,
Of zy t vernielen mocht!
Houdt Ge op, ons door Uw wil het aanzijn toe te stralen,
Wy zijn als nooit geweest:
Uw scheppen in ons zijn, en, zoo wy ademhalen,
t Is werking van Uw geest.
En wy, schaduwen, vermeten ons, te WILLEN,
Te schikken van ons lot!
Wy, zelfs de meester niet van t minste zenuwtrillen,
Wy bieden t hoofd aan God!
Wy, mieren uit het stof, beklouteren de eikenstammen,
Der oorlogskans getroost;
En wanen van hun top den hemel op te rammen,
Als moedig Reuzenkroost!
«Wy, Helden als wy zijn, van God de wet onfangen?
» Neen, zijn we onze eigen wet!
»Van Wijzer, Machtiger, van Grooter af te hangen?
» Veerleer in t slijk verplet! »
Onzinnig sterveling, ô dat ge u-zelf slechts kende!
Gy, loutre afhanklijkheid,
En wapprend wimpeldoek, dat naar den wind zich wende,
Zich her- of derwaart spreidt:
Nu van de torenspits met schitterende glansen
In dartle golving zwiert;
Nu, vomklend, op den aâm des Zefirs schijnt te dansen;
Dan, met den stormwind giert.
Wat is die trotsche wil, door aardsche en geestenwareld
Van rondöm ingevloeid?
Een dobbrende boot, die dwars door klippen dwarelt,
Ontwetend wie haar roeit.
Een hulkjen, t zij door Hel of Hemel aangetrokken,
Van roer en want ontbloot,
Tot lucht- en golfgebruisch in t op en neder schokken
Zijn kiel te barsten stoot.
Onzinnigen, heet dit op Gods genade drijven,
Die Zijn genâ ten spot,
Mits onderaardsche wind uw spannend zeil moog stijven,
U heer acht van uw lot!
Gods Noodstar blinkt u toe, Zijn haven staat u open,
Gy kiest u zelf een pad.
Doch, waar, waar is de ree die ge eenmaal in wilt loopen?
t Is de afgrond van het nat.
Te laag waar t u, den koers op donafzienbre baren
Te richten naar den naald:
Gy zijt uw eigen wet, en vrij, een weg te varen,
Naar willekeur bepaald!
De kust
? « Daar is geen kust; of, zijn er reê of
stranden,
» Wanneer de kiel vergaat,
» Dan zullen we uit den plasch van zelfs daar wel belanden,
» Waarheen de golf ons slaat!
» Weg zeekaart, weg pyloot, kompas of starbeschouwing!
» Wy stieren naar t ons lust.
» Dats vrijheid, recht, verstand: dit eedle zelfbetrouwing
» Waar alle deugd op rust! »
Dit vrijheid, recht, verstand? dit vrucht van zelfgevoelen?
Beheerscht door vreemde macht,
Ten eigen zielsverderf in t slaafsch gareel te woelen!
o Jammerlijk geslacht!
Dit vrijheid? door den zweep des Duivels voortgedreven,
Te spartlen in zijn band!
Dit recht? zijn eigen hart den gier ten prooi te geven
Van t wroegend ingewand!
Dit wijsheid? s levens heil, by t eeuwige versmeten,
Op te offren aan zijn waan;
Met wanhoop op t gelaat, by t krijschende geweten,
De Doodsnacht in te gaan!
De Doodsnacht, die ge vreest, waarvoor uw aders trillen,
Uw eigen trots ten spijt!
Dit, monster, is uw deel by t vrij en eigen WILLEN,
Waarvan ge t offer zijt.
ô GY, die t
menschdom schiept! kan t Uw volmaaktheid lijden,
Verpletter, doe te niet!
Maar duld niet, dat U-zelf in s Afgronds dienst bestrijden,
In wie Uw adem vliet!
GY, die gevallnen
redt, en opheft, uit genade,
Verzoent, en heiligt, God!
o Sla het diep verval der gruweltijden gade!
Zie neêr op t menschlijk lot.
Keer, keer Verlosser, keer! verkort dees jammerdagen,
Eer alles buigt en stort!
Omhein des afgronds rand met onweêrstaanbre slagen,
Eer t al verzwolgen wordt!
Verdel des Satans stoel, herstel Uw Rijk op aarde,
Het rijk van Recht en Vreê;
En werp den schandzuil om dier valsche MENSCHENWAARDE,
Des Afgronds krijgstrofeê!
Ingezonden: 7 september 1997