Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan Holland.

Ja, Holland, Holland werd geboren;
Maar is ’t het zelfde Holland wel
Dat op den grondsteen stond, wien Jezus heeft gezworen:
Nooit bukt gy voor de macht der Hel!
Gy, Vader Willem, ja, gy vestte ’t op die steenrots;
Twee eeuwen stond het pal op dien onwrikbren grond,
Doch weet het, waar ’t gegolf des Afgronds ’t eindlijk heenklots’,
Nu ’t op een zandwel rust, die nooit in ’t woelen stond?
Mijn Vaderland, helaas! wat is er van u over?
Met God, bezat gy ’t al; nu, zijt ge u-zelven kwijt;
Vrees, na ’t beproefdejuk, nog eindloos feller Roover,
En terg uw Redder niet, nog naauwlijks wer bevrijd.
Zoek, zoek den hoeksteen wer, verworpen by ’t herbouwen!
Waar hy ’t gebouw niet steunt en ’t muurwerk samensluit,
Daar zal ’t Heelal den val van ’t los gevaarte aanschouwen,
En zich ’t verplettrend puin betwisten tot een buit.
’t Is tijd; de stem gaat op by ’t schudden der gewelven
Keer tot uw Gol wer, dien ge eerloos hebt verzaakt!
De wraakschaal giet zich uit; heb deenis met u-zelven;
De donder ratelt reeds: Gy sluimrend stof, ontwaakt!

1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 september 1997