Willem Bilderdyk (1756-1831)

Andwoord.

Wat werkt ge (zegt men my); ’t is vruchtloos, al dat schrijven:
    Men roeit in ’t hart niet uit, wat elk is ingeprent. —
Voorzeker, ’k moet dan elk in de verkeerdhen stijven,
   En juichen ’t hollen toe van wie ten afgrond rent?
’k Moet reden, waarheid, God en Heiland, afgezworen,
   Verwoest zien, zonder leed, ja juichen ’t zwigend toe?
De stem van Godsdienst, Recht, en overtuiging smooren,
   En bukken, laf als elk, voor de Inquisitie-ro?
Neen, snoodaarts! vloekt en woedt, en knevelt de aard in banden;
   Mijn tong, mijn pen, is vrij, als ’t hart dat in my slaat.
’k Verachht de dolle drift van lage Dwingelanden:
   En Heiland is me een schuts voor aller Duivlen haat.
Ja, trotsheid, eigenwil, zijn elk’ verworpling eigen,
   ’t Zijn LUCIFERS, wier drom op ZELFVERLICHTING roemt!
Maar, wie naar ’t Helsche juk den slavenhals moog neigen,
   Nooit aarzelt hy of plooit die zich naar Christus noemt.

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 september 1997