Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Babelsche Torenbouw.

Wanneer ’t ontzachbre berggevaart’
Uit Sennars dal zch hemelwaart
Verhief, en de Almacht uit de wolken
Op ’t woest gewemel neder zag,
Wat werd, nog onverdeelde Volken,
Van u op dien geduchten dag?

Een onbegrijplijk misverstand
Verwoeste d’ arbeid van uw hand,
Verwarde uw spraak, uw denkvermogen.
De band die u vereenigd hield,
Was in een oogwenk losgetogen;
Uw doel, uw oogmerk lag vernield.

Daar vloog uw vaste bond uit n;
Daar lagen tegels, leem, en steen,
In nutloos saamgetaste hoopen.
’t By n geschoolde mierennest
Was in een oogenblik verloopen,
Als door des wandlaars voet verprest.

Wat keert ge u dan, misleide drom,
Tot d’ eens verstoorden bouw werom,
En dreigt de Godheid van benenden?
Rijst, steigert! maar, verkeerd geslacht,
’t Is God die met de onzinnigheden
Van ’t Hem bestrijdend stofkind lacht.

Ja stapel vrij, verdwaasde schaar,
Geen steen- en steenlaag op elkar,
Maar berggevaart’ op berggevaarte
Tot boven ’t wolkgespansel op;
Daar stort zy door haar eigen zwaarte,
En plettert uw vermeetlen kop.

Neen, God behoeft geen bliksemstraal,
Op dat hy ’t al tot gruis vermaal;
Reeds hoort gy ’s aardrijks bodem kraken;
Daar wankt, daar buigt de ontzette kruin,
En ’s afgronds ingewanden braken
Hun vuurgloed over ’t stuivend puin.

Beeft, woestaarts, in uw overmoed
Die niet dan tot verderving spoedt;
Beeft voor ’t ontzachlijk Alvermogen;
Eer ’t vlammend wraakzwaard vreeslijk blinkt,
En gy by ’t God onteerend pogen
In ’t grondelooze wee verzinkt!

      1806.

Hamburg.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 5 september 1997