Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan den Heer A. Capadose, op zijne bestrijding der beestpok-inenting.

Heb dank, mijn Vriend, uit naam van Godsdienst en Geweten,
Voor ’t opgeheven schild in d’ onverzoenbre strijd
Ter weering van ’t geweld, dat od- en plichtvergeten,
’t Onnoozel kroost in d’ arm eens Helschen Molochs smijt.

De Hel had ’t allen tijd door duizenden van vonden
De menschheid aangetast, geteisterd, en belaagd;
Maar weinig was ’t, een deel door vuur of zwaard verslonden,
Meer gruwzaam is een gift dat merg en beenders knaagt.

Geneeskunst, in deze eeuw van laffe dwingelanden,
Vervallen van haar aart, tot werktuig van de Hel,
Beslaat thands, in Natuur vijandig aan te randen,
En ’t voorschrift dat zy geeft werd strafloos moordbevel.

’t Is thands Geneeskunsts werk, verradend om te brengen:
Vergif verstrekt voor brood, vergif voor medicijn;
Doch wat is ’t, plant of erts ten gifbokaal te mengen?
Verdierlijkt moet ge, mensch, door dierlijk smetvenijn.

Verdierlijkt? Ja, geheel van uit uw rang verstoten,
Tot reedloos slachtvee zijn voor ’s Aartsverraders wrok;
En, zijt ge uit dieren niet, gelijk hy leert, gesproten,
Uw afkomst moet met d’ Os voor eeuwig onder ’t jok.

Rampzalig menschdom, beef! Ouder, voor uw telgen!
Roept, roept d’ onfeilbren Arts in dezen toestand aan;
En, eer gy ’t Hel en vloek door de aadren in doet zwelgen,
Hebt moed, om voor uw bloed, ht ijslijkst door staan.

Ja, de Afgrond voert in ’t eind de teugels van deze aarde:
Verzaakt uw Heiland thands, dees wareld ten gevall’;
Of ziet waar Vrijheid zij, en recht en menschenwaarde.
Verkiest in ’t nijpend uur, of God of Belial!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 september 1997