Willem Bilderdyk (1756-1831)

Beurtrei.

ZANG.

’t Vocht, in dampen opgeheven,
Wordt tot wolken saamgedreven,
Wandelt ’s hemels ruimte door,
En als regen
Neŕrgezegen,
Baant het zich, op aard een spoor.
’t Daalt in kronklend ommezwieren
Van der bergen hoogten neŕr,
En herschapen tot rivieren,
Keert het naar zijn oorsprong weŕr.

TEGENZANG.

’t Streeft in uitgebreide stroomen,
Hier langs rijkbebloemde zoomen,
Daar door steenrots, heide, en zand;
Lieflijk ruischend,
Heftig bruischend,
Zoekt het rust aan ’t barre strand.
Statig tredend, driftig spoedend,
Golft het langs d’ oneffen grond,
Ginds weldadig, elders woedend,
Al verwoestend wat weŕrstond.

TWEEDE ZANG.

Thands! uit groene lustvalleien
Die ’t een mollig leger spreien
Met borduursels van de Lent’.
Koomt het met verhaaste schreden
D’oceaan in d’arm gegeleden,
Diet het als zijn kroost herkent.

TEGENZANG.

Nevel, dampwolk, drijvend water,
Regenguds, of stroomgeklater,
Maar nog steeds het zelfde nat,
Keert het na voleindigd zwerven
(Waarom noemt de mensch dit, STERVEN ?)
Daar, waaruit het wording had.

TOEZANG.

Gy, door ’t Godlijk alvermogen
Met geen stof uit niet getogen,
Drop uit ’s Levens Oceaan;
Dampwolk, nevel, spel der stormen,
Neŕrgeploft by ’s aardrijks wormen,
Maar omvatbaar voor vergaan:
Zoek, ˘ zoek, door bloei en plagen,
Zoek, door wel- en wanbehagen,
D’ oorsprong van uw wording weŕr.
Keer in ’t geen gy waart te voren,
En gevoel, in God verloren,
Eigenzucht noch zelfheid meer!

1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 september 1997