Willem Bilderdyk (1756-1831)

Desengaño.

Spaansche spraak, gy roem de talen;
Niet alleen in deftig pralen,
   Maar in nadruk, rijk van schat,
Laat me u thands een woord ontscheuren,
’t Geen ons Neêrlandsch mag betreuren
   Dat haar weelde niet bevat!

Desengaño, groote Godheid,
Geessel voor geliefde zotheid,
   Dommen, ingebeelden waan,
Gy, op Spaanschen grond geboren,
Maar voor Spanje lang verloren,
   Zie dat Spanje nog eens aan.

Keer, verjaag die dolle honden
Die zijn welvaart gants verslonden!
   Eens de prooi van Bygeloof,
Ligt het nu in slimmer keten,
(Nieuwen dwang van ’t vrij Geweten,)
   Door vervloekten scepterroof.

Zie een hoop van Onverlaten
Meester van misleide Staten,
   Die zijn ingewant doorwroet:
Breek die monsters klaauw en tanden;
Rukt het uit dier Duivlen banden,
   En versmoor hen in hun bloed!

’t Engelsch ei der Ongodisten
Die aan God Zijn thoon betwisten,
   Aan de Seine rijpgebroeid,
Vult Europa met zijne adderen
Die wat heilig is bezwadderen,
   Wien de Hel uit de oogen gloeit.

ô Onttoover gy de zinnen!
Leer gy wie hun volk beminnen
   Muiters knellen in den band,
En den staf, van God geschonken,
(Niet om ledig meê te pronken,)
   Vast beklemmen in de hand.

Leer hem, Vaderlijk bestieren;
Geen geboeft’den teugel vieren
   Dat zich indringt op hun throon!
Met der Volken heil beladen,
Zijn ze aanspraaklijk voor hun daden;
   Voor ’t geheiligd recht der Kroon.

Wee die ’t roekloos overgaven!
Op den stoel gebonden slaven,
   Uitgeschud van hart en moed!
Laat ze HEM wiens beeld zy dragen,
Geen gespuis, de wetten vragen,
   Dat in ’t blinde grijpt en woedt.

Geen verachtbre schijnvertooning;
Vader, Vader zij een Koning,
   En met Vadermacht omgord!
Wy, betoonen we ons zijn telgen
Die zich zijns niet wreevlig belgen,
   Zoo zijn doel verijdeld wordt!

Vader, zal hy ieder hooren,
En des huurlings list verstooren
   Die zich vet mest met ons zweet.
Maar den huurling ’t recht te geven
Om den Vader te weêrstreven,
   Delft een poel van ’t gruwzaamst leed.

Schapen, laat uw Herder weiden!
Zoo ge u zelven wilt geleiden
   Of den loonknecht overgeeft,
Wolven in den muil te loopen,
Anders staat u niets te hopen!
   Arme schapen, hoort, en beeft!

Hy, hy zal voor u zijn leven,
Hy zijn rust, ten beste geven;
   Liefde geeft zijn poging klem.
Hy is Vader en erbarmer,
En de machtige Albeschermer,
   Heer de Heeren, heerscht door Hem.

      1822.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 september 1997