Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan den Heer G.J. Meyer, Predikant te Marsum, op zijn brief van den 10den January 1822.

Gewis ook d’ enklen waterdronk
Dien ’t vrome hat zijn’ broeder schonk,
Zal Jezus nooit noch ooit vergeten;
En God verhoede ’t, dat voor my
Een vriendendienst verloren zy,
Of immer uit het hart gereten!

Al heeft my de ongestuime vloed
Van kommervollen tegenspoed,
Met altijdwisslende golven
Geheugen en herinn’ringskracht
Als met een ondoordringbre nacht
Van dichte nevels overdolven;

Wat weeldrigheid in vreugd vergeet,
De vriendentrouw by prangend leed
Staat al te diep in ’t hart gedreven;
Genoten weldaad, regt geschat,
Ontvloeit niet als vervlietend nat
In d’Oceaan van ’t woelziek leven.

Ontscheurde ik my mijn Vaderland;
By d’ afscheidsdruk van dees mijn hand
Bleef U mijn teedre dank, mijn zegen.
Die sprak in elken hartenklop
En steeg voor u ten hemel op,
Schoon mooglijk tong en lippen zwegen.

Die dank, Ű knaapjen vol van hoop,
Verzelde u door uw levensloop,
Toen ’t land my uitwierp van zijn kusten;
Hy welde me uit het vol gemoed
Doorblaakt van zuivren liefdegloed,
En bleef op ’t wassen telgjen rusten.

Die volgde u na en bleef u by,
Waar heen my ’t felle noodgetij’
Als balling over de aard deed zwerven;
Ja, Jezus nam die zuchten aan,
Hy die geen weldaad laat vergaan,
Geen liefdevonkjen laat versterven!

Dank, dank zij Hem, die voor ons leed,
En onze zondenschuld voldeed
In dood en angst en folterpijnen!
Waar ’t hart aan ’t hart een plicht vervult;
Hy kwijt het als een eigen schuld,
En stelt Zich borgspraak voor de Zijnen.

Hy zegende ’t Godvruchtig huis,
Dat steeds getrouw bleef aan Zijn Kruis.
Dank, eeuwig dank zij Zijn genade!
Uw Vader, voor den Hemelthroon,
Dankt meÍ voor ’t heillot van zijn Zoon,
Als Christenleeraar, Vader, Gade.

Hy, die u heiligde aan Zijn Leer,
(Geef, brave Meyer, geef Hem eer,
Als trouwe zoen- en heilverkonder!)
Hy zij uw hart, uw huis, uw kroost,
Des levens en des stervens troost!
Het licht dier Heilzon gaat niet onder.

Maar ik, wie ben ik, arme worm,
In ’t midden van des aardrijks storm
Op blad en plant in ’t zand geslagen,
En ’t hoofd naauw beurende uit het slijk:
Dat, VredebŰ van ’s Heilands Rijk,
Gy mijnen zegen af zoudt vragen!

Neen, zegen gy, als Godsgezant
In my den kranken stofverwant
Die drijvende op ’t geloovig hopen,
In zwakheid hijg naar ruimer lucht,
En vurig naar het tijdstip zucht,
Dat Jezus zich mijn’boezem open’.

Geef gy my deel in uw gebeÍn,
Wanneer ge, als Herder opgetreÍn,
Zijn schapen opdraagt aan Zijn hoede:
Bid, dat Zijn Geest my vergewiss’
Dat al mijn hoop niet ijdel is
Op die aan ’t Kruishout voor ons bloedde,

Dat, zoo (of ’t ware) eene kleene loot,
Een vezeltj’ in mijn boezem schoot,
Zijn daauw dat sprankjen moog besproeien;
En ’t worstlend zaadtjen niet verstikk’
In ’t God- en Heilandloochnend IK,
Dat hand noch snoeimes uit kan roeien!

Ja zegen my, en ook overal
Mijns levens hoop in 't aardsche dal,
Den telg uit mijne heup gesproten.
Die, erfgenoot van 's Vaders leed,
Dees wareld zich vijandig weet
En al zijn heil in God besloten!

Bid dien d' onschatbren zegen af,
Dat, als mijn lijk vermolmt in 't graf,
Hy aan zijn GoŽl vast blijv' kleven!
Ik wensch mijn kroost geen ijdlen schat.
By 't eenig dat die beÍ omvat,
Zal God ook de aardsche nooddruf geven.

En gy, heb dank voor 't liefdeblijk!
En is de naam van Bilderdijk
By u in zegening gebleven,
Ontfang ook 's Grijzaarts zegenbeÍ,
Die op zijn laatste legersteÍ
Voor de uwen nog om hoog zal streven!

      1822.

Den 29en van Loumaand.


Aantekening:

In 1795.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 4 september 1997