Willem Bilderdyk (1756-1831)

’s Heilands Geboorte.

Gy Uchtendstond, die ’s Hemels transen
Met purper in oranje hult;
In ’t wederspieglen van wier glansen
Het zonnevuur de rots verguldt;
Daar ’t zoele West met bolle wangen
Den ingeslapen bloemhof wekt,
En ’t choormuzyk der boschgezangen
Het steenen hart naar boven trekt!

Gy, Uchtend, kunt gy parels strooien?
En hebt gy kostlijk pleeggewaad
Om borst en schouders om te plooien,
Gy, welgerezen Dageraad?
Hebt, hebt gy reukwerk op te plengen,
Of wierookwalm of keurgebloemt’;
Hier moogt gy ’t al ten offer brengen
Met alles waar Natuur op roemt!

’t Was nacht, een nacht van wreede zorgen;
Ja, nacht met ramp en wee bevracht.
Maar gy verscheent, volblijde Morgen,
Die ’t lijdend hart vertroosting bracht.
De balsem droop van uit de wolken
Met zegenstroomen op eene aard,
Steeds van den damp der Helsche kolken,
Steeds met verdrukkingsangst bezwaard.

Ja, balsemdroppen van genade,
Vol laafnis voor ’t versmachtende hart,
Dat in zijn tranengolving baadde
By onverduurbre lijdendsmart!
Ja, balsemdroppen van verzachting
Voor de in dat hart gevoelde wond.
Het uur verscheen der heilverwachting
Die ’t heilig Godsgeheim ontbond.

Mijn oog, aanschouw dat wolkgewemel!
Daar scheurt zich ’t blaauwend zwerk van één!
Ach! de Englen dalen uit den hemel.
Thands broeders, met ons lotgemeen.
Ja, Eeer zij de Almacht in den hoogen,
En Vrede aan ’t aardrijk weêrgebracht:
G ziet met welbehaaglijke oogen,
ô God, op ’t afgedwaald geslacht!

De Vorst van duizend Geeftenkringen,
Des warelds Schepper daalde neer,
Omkleed in ’t vleesch der stervelingen,
Hy stervling! aller schepslen Heer!
Hy mensch, aan ’t menschlijk leed verbonden,
Tot lijden, hongren, smaad, en dood!
Tot offerhand voor onze zonden,
En — zelf van vlek en smet ontbloot!

o Ziel-, o Aardöntzettend wonder!
De God der scepping, ons gelijk,
Wendt zelf de pijlen van zijn donder
Van ’t in de schuld verzonken slijk!
Hy-zelf koomt onze ellende dragen,
Het recht verzoenen door Zijn dood!
Herbrengt ons ’t Godlijk welbehagen,
Als wicht op moederlijken schoot!

Gaat, Herders, uwen Herder groeten
Aan deze kinderlijke krib!
Val, Oosterwijsheid, aan Zijn voeten,
Voor aller wijsheid inbegrip!
Koomt hier, by goud en wierookofferen,
ô Adams doemenswaardig bloed,
Uw tranen aan dit Wichtjen offeren
Dat voor uw schuld verbloeden moet!

Beeft voor dees wieg, gy Aardsche machten
Die Davids Zoon Zijn scepter rooft!
Geen list noch moordend kinderslachten
Vest u de diadeem op ’t hoofd.
Maar ducht niet; neen, Geweldenaren,
Hy lei Zijn kroon en grootheid af,
Om zelfs Zijn leven niet te sparen,
En sticht Zijn zegethroon op ’t graf.

Doch ja — Hy komt (de tijd rukt nader,)
In volle Hemelmajesteit,
Op dat hy ’t bloeiend Rijk vergader’
Voor de onverstoorbare Eeuwigheid.
Hy komt, en ’t wraakzwaard uitgetogen
Zal plasschen in ’t weêrbarstig bloed;
Buigt, Volken, voor Zijn Alvermogen,
Voor ’t vlammen van Zijn toornegloed!

Reeds daveren der bergen kruinen
En rooken van verteerend vuur;
Reeds klateren Zijn wraakbazuinen,
En zucht de bevende Natuur.
Wat sluimert ge in, ô roekeloozen,
Op ’t vadsig dons van eigenwaan,
In zwijmeldamp en geur van rozen;
’t Verblindend oogenblik snelt aan!

Voelt de aard die onder u aan ’t schudden
Zich tegen uwen trots verheft,
Terwijl ge als redenlooze kudden.
In weeldrig dartlen niets beseft!
Rampzaalgen, ziet de nevels scheuren,
Het schriklijk uur der wraak verschijnt.
ô Wisselt voor geen eeuwig treuren
Wat in één oogenblik verdwijnt!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 augustus 1997