Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan Mr. I. da Costa, by het in ’t licht geven zijner bezwaren tegen den geest der eeuw.

’t Is waar, mijn Vriend! Gy, wien van ’t zielsgezicht
De sluierdoek der Wet werd afgelicht,
En ’t Christenlicht in ’t helder oog mag stralen;
Gy, gy aanschouwt met juistheid, met belang,
Wat op den boord van ’s warelds ondergang,
Dit koud geslacht zich zelfs niet af durft malen.

Ja, ’t Ongeloof, ja de Afval, steeg ten top;
Men voedt zijn kroost voor Hel en Wareld op,
Vloekt Christus zoen, eert Heidnen logenvonden,
Betwist Zijn macht in Hemel en op Aard’;
Ja, belastert wie ’t geweten rein bewaart,
Wie Waarheidsleer op Waarheids stoel verkonden.

Het Godlijk woord dat Duivels siddren doet,
Werd tot een spot van ’t zinloos wangebroed,
Dat toom en zeel met voeten durft vertreden,
Om ’t stalen juk van willekeur en dwang
In de afgodsdienst van ’t moordend zelfbedwang,
’t Misleide volk om hals en schoft te smeden.

Niets heilig meer, of de afgrond wierp het om:
Geen ondeugd meer die niet ten toppunt klom.
Geen liefde meer, geen band van samenstemming!
Het schuim welde op, en overstelpt en smoort
Het geen er nog in de ijzren harten gloort!
En waar is de moed, waar ijver tot bestemming?

’t Verkoeld gemoed, in laauwheid stervensbleek,
Zucht mooglijk stil. Maar neen, rechtschaapne, spreek!
Verhef uw stem, waar ’s Hemels donderd klateren
En onbemerkt voorbygegaan over ’t hoofd.
Ja schok elk hart dat zwak is, maar gelooft;
Spreek, Noach, spreek, by ’t ryzen van de wateren!

Doch neen! die doop die de aard hertelen moest
Was eens. — Op nieuw door ’t Ongeloof verwoest,
Moet thands het vuur vanuit haar boezem breken:
’t Is vuurgloed slechts die thands haar zuivren mag:
Gy nadert, ja, schrik-, jammerdag.
Die Gods gen op ’t bastaartkroost moet wreken!

Ja, Geest der Eeuw, der Helsche duisternis,
Verpest, verstik, wat Englen heilig is;
Klep wijd en zijd uw draak-, uw vlermuisvlerken!
Uw tyranny, uw aanhang, schokt en beeft,
En ’t Rijk genaakt van Hem die eeuwig leeft,
En wiens Gezag geen Afgrond in zal perken.

Gy, die stil in diepen oodmoed zucht,
Maar d’ overmoed dier Godbestrijdren ducht,
Verheft uw stem, betoont U Godgetrouwen!
Verraadt, verzaakt, waar Belial gebiedt,
Uit laffen schroom uw God, uw Heiland, niet,
Gy zult zijn Heil, Zijn Heiltriomf aanschouwen.

Herauten van het Godlijk zoenverbond,
Wie Zijn Gen ter boetvermaning zond,
Omgordt uw borst met zevendubbeld wapen.
Dringe uw stem met meer dan donderkracht
Door ’t ingewand van ’t levend-dood geslacht;
Op ’s afgronds rand ten doodslaap ingeslapen!

De boetbazuin, de vrede- en wraaktrompet,
Aan d’ in Zijn naam omsloten mond gezet!
De wraakfiool……neen, thands niet afgebeden,
(Zy stort zich uit;) maar trouw en kracht gesmeekt,
Door vrees geknakt noch twijfelmoed verweekt,
En ’t marteldom voor Hem te moet’ getreden!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 6 september 1997