Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan de Koningin van Portugal.

Incolumnis partoque ibis Regina triumpho.
                                              V I R G I L I U S.

Wie is die moedige Amazoon
Die, voor haar beulen niet bezweken,
De rechten handhaaft van den throon
En midden in geweld en hoon,
Den Koningsstandaart op durft steken,
Om ’t zuchtend en vertrappend volk
Te rukken uit de jammerkolk,
En ’t knellend slavenjuk te breken?

Ja, dolle moedwil, Helgebroed,
Ja, heiren dwangzieke Onverlaten,
Steeds blakende naar Vorstenbloed,
Schopt Wet en Outer met den voet,
Rinkinkt en tiert langs markt en straten;
En Moord, en Roof, en Gruweldorst,
Amt vlammend uit hun oog en borst,
Ter Aardverdelging losgelaten.

Die tijgers met den vloek gemerkt,
Den teugel door verraad ontsprongen,
Heeft Zy, een teedre Vrouw, beperkt,
Door moed en plichtgevoel gesterkt,
En ’t aas hunn’ tanden uitgewrongen!
De in ’t stof getrapte kroon hersteld!
De muiters voor haar voet geveld;
Hun hals in ’t tuchtgareel gedwongen!

Juich, brave! Christen, juich haar toe,
Die voor geen Heidnen waangod knielde,
Van bloed te zwelgen nimmer mo;
Maar zijn verschrikbre Geesselroe’
In de opgeheven vuist vernielde!
Wier zuivren mond geen eed ontging,
Dan de Almacht uit een hart ontfing,
’t Geen Eer, ’t geen Waardigheid bezielde!

Klinkt, harpen, klinkt; de Hemel hoort.
Hy-zelf ontgloeie u, Dichtrenscharen!
Waar, dan door Hemelvuur gegloord,
Waar, dan door Hemelzucht gespoord,
Zweeft hart en leven door uw snaren!
Zingt, zingt de zege van ’t Gezag,
Van op- tot ondergaanden dag,
Op horden van Geweldenaren!

HY, die den Vorsten ’t hoofd omhult
Als Oppervorst, als Wareldkoning;
De kroon met Zijn ontzag vervult;
Eischt, wat ook de afgrond tegenbrult,
In hen, der volken eerbetooning.
Buigt, Volken! en gy Vorsten beeft,
Die Vaderplicht en recht begeeft,
Der slaven dienaars door uw krooning!

Neen, ’t is geen trotsche purperdracht,
Geen throongehemelt’ met robijnen,
Geen hoofd met diamant bevracht,
Maar de onwerstaanbre Oppermacht
Die ’t beeld der Godheid af doet schijnen.
Hem neemt, hem brijzelt ZY den staf,
Die, wien Ze in hem een wreker gaf
In ’t Staatsberoerdren juk doet kwijnen.

Vergaan zy, wier verwaten hand
Zich ooit in ’t Staatsgareel durft dringen!
Braak ze uit, gefolterd Vaderland,
Wier list u ’t doodlijk wartuig spant
Der eens gebandigde aterlingen!
Thands blinken ze in een nieuwen dosch,
Op wer misleiden aanhang trotsch,
Om u den dolk in ’t hart te wringen!

Moog ’t blind en duizendkoppig dier
Hetgeen zich op Gods throon durft zetelen,
En, prooi van elken stouten gier,
Steeds machtloos is tot zelfbestier,
Zich de ooren met hun vleitaal ketelen;
’t Bezuurt de drift die ’t zweept en port,
En ’t, afgerend, in d’ afgrond stort
Ten spel en slachtroof dier vermetelen.

Gy wien de ontzachbre band omsnoert
Als Godgezalfde Volkenvaderen!
Beseft, wat last uw schouder voert;
Wat Helrot op uw zetels loert,
En kent den mom dier Aartsverraderen.
’t Is God, door wien gy heerscht; staat pal!
En, schoon dan de aard in wrakken vall’,
U stroomt de Hemel-zelf door de aderen.

Staat pal, ja pal, in onverwrikt,
In naam van uw en aller Rechter!
Hy, die van ’t lot der Volken schikt
En de aarde en hemel overblikt,
Hy blijve U wet en plichtbeslechter;
Hy, vraagbaak! maar geen volksgeschreeuw
Geen Waanzin van een razende eeuw,
Verhitte Hemelthroonbevechter!

En gy, rechtschapen Miquel,
Die ’t hart waar ge onder zijt gedragen
Niet loochende, om op ’t heilbevel
Met heldenvuur, voor ’t Kroonherstel
Dier Moeder bloed in ’t uw te wagen;
Leef, leef uw volk, uw eeuw, tot eer,
Beklim uws Vaders throon, regeer,
Tot de aarde eens uitrust van heur plagen!

Doorluchtig Helden-, Koningskroost,
Gy, Prinsen, voor den staf geboren,
Wier voorhoofd in de ketens bloost.
Wier hart benepen zuchten loost,
Maar d’ arm aan God heeft toegezworen;
Ontwaakt — ! Red Eer en Vaderland;
Doe Gode uw Vorstenplicht gestand,
Om ’t Helkroost in zijn bloed te smooren!

Ja, blikkre ’t wrekend Heldenzwaard!
Gods bliksem schittre van uw slapen!
Betoont u de edelste afkomst waard;
Behoudt de in ’t wee verstikkende aard
Door ’t Godgeheiligd heldenwapen!
Wy volgen de banier der wraak
En sterven juichend voor uw zaak,
Als uwe en Christus legerknapen.

Spreekt! de Almacht dondert van omhoog;
Der Heidnen tempelstijlen sidderen
Voor d’ opslag van het Alziend oog;
De Dagon stort, waar ’t al voor boog,
Op ’t duizlend hoofd van zijne aanbidderen.
Welaan! voor Heiland en voor Vorst
De bloed- de krijgsstandaart getorst,
Als nooit hunn’ stam ontvallen Ridderen!

Vaadren die in ’t Mogenrood
Uw kruin omvlocht met Oosterpalmen;
Die ’t eder hoofd aan ’t ’t lemmer boodt,
En de aan den roem getrouwe dood
Voor ’t knersen koost der ketenschalmen!
Hoort d’ eed van ’t bloed uit u gestroomd
Dat overmacht noch woede schroomt,
Dien we u plechtstatig tegengalmen!

Nooit bukken wy voor ’t Volksgetier,
Noch offren voor de schandpilaren
By Stans vloekbren outerzwier,
Ons kroost aan ’t heilloos Molochsvier,
In dienst van Vorstenmoordenaren:
Maar, God’ getrouw, en ’t rein Geloof,
Weerstaan wy kerk- en scepterroof,
Geschaard om throon en zoenaltaren.

GY wien aan Aarde- en Hemelrond
De scepter toekomt, Slangvertreder!
Wiens macht noch Volk- noch Vorstenbond,
Maar Eeuwige Almacht heeft ten grond,
Zie op ’t verzuchtend schepsel neder!
Voleind der tijden schrikbren loop!
Verschijn! vervul der Uwen hoop,
En breng ons de eeuw des Zegens weder!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 7 september 1997