Verleen my hier, ô stille heemden
Van t geestverdovend volksgewoel
Waar harten van zich-zelfs vervreemden,
Een oogenblik van zacht gevoel!
Hier, na t gedruisch der levensbaren,
Hier zoek ik t kalme van de rust;
Hier, waar t geschommel van de blaâren
De zorgen in den sluimer sust.
Waar Zomer door de Lente wemelt,
Het bloemgeflikker, rijk in pracht,
Met starrendosch den grond verhemelt,
En t groen met Winters aanval lacht.
Waar de overvloed met volle horen
Zijn schatting uitstort over t veld,
En onder t goud van most en koren,
En geur en kleuren samensmelt.
Waar steile en breedgespreide telgen
In saamgevlochten boog aan boog;
Den middaggloed tot niet verzwelgen
Van t aldoorblaakrend zonnnenoog;
Het koeltjen onder t welfsel dartelt,
En t schemerlicht vertrouwen schept;
Van t zoele Westen zacht doorsparteld,
Dat luchte vlindervlerkjens rept.
Waar t beekejn langs bebloemde weiden
In kronkels wandelt van kristal,
En, siddrend van heur lust te scheiden,
Zijn armen klemt om t zalig dal;
Om eindlijk met een murmlend zuchten
En t blaauwe voorhoofd rimplend nat,
t Verlokkend pronktooneel te ontvluchten,
Waar t loop en ruischen in vergat.
Maar neen het keert, het wendt zich weder,
En kleeft zich aan, waar langs het glijdt;
Dan ach! daar stort het plotsling neder,
En schuimt en klatert van de spijt.
Nu hoort men t met een toornig klotsen
Zich golvend wentlen over t zand,
Of storten langs de dorre rotsen,
En sterven aan een eenzaam strand.
Wat doet ge, ô Zangers in t
gebladert;
t Is morgen, en de nacht verstreek:
Wat zit ge in stillen rouw vergaderd?
Of deelt ge in t treuren van de beek?
Ja, k hoor door Prognes kermend kwelen,
En t droeve zusterlijke lied,
Dan nagalm weêr der Echo
spelen,
Nog jammrende om Narcissus
vliet.
Rijst, pijn en beuken, schudt uw toppen,
(Den wind ten trots die om u loeit,)
Die storm noch zon noch regendroppen
Of schokt of dóónat of verschroeit!
Hier mag in t stille minnekozen,
Door dag noch ijverzucht gestoord,
De maagdenkoon verruklijk blozen,
En t klappend kusjen zacht gesmoord!
En gy, ô onberoerde plasschen,
Waar t zilvren vischjen dartel springt,
Waar zwaan en duif heur kuiven wasschen,
En t vinkjen op den riethalm zingt!
Verdubbel door uw tooverlogen
Het licht, de galmen,die gy vangt;
En streel des meisjes lonkende oogen,
Wanneer zy over de oever hangt.
Laat, laatze op t schoon diens boezems
staren,
Nog onbekend met waar ze om hijgt;
En pijltjens voor dat oog vergaâren
Waarmeê t de Herderjeugd bekrijgt.
De Liefde huppelt langs de velden,
En lacht ze in schalkschen moedwil aan;
Hy zal haar d overmoed vergelden,
Als t tijd is van dien neêr te slaan.
Tot zoo lang, speelt, ô argeloozen;
Maar ach, verheft u niet te veel!
Eens vallen de uitgebloeide rozen,
En de enkle doorne blijft den steel.
Die thands haar wenscht aan t hart te drukken
En t vol te zwelgen aan heur zoet,
Zal t ledig struikjen niet meer plukken,
Of t is tot schaamlen wintergloed.
Leert, Maagden, leert uw gunsten sparen;
Verkwist ze niet uit wulpschen zin;
Speel Zefir met uw blonde hairen,
Maar sluip hy u het hart niet in!
Neen wacht op d adem van het Leven,
Die nog onzichtbaar om u waart;
Die moge u bloed en ziel doorzweven,
Vereend, verzelvigd; niet gepaard!
Nu zwijg, Mijn Cythe; rust, mijn zangen!
Geniet (mijn boezem!) al uw heil;
En, stroomt met wellust langs mijn wangen,
ô Tranen, voor geen kroone veil!
Aanvaard haar, die my staat noch weelde,
Of wat m uit s aardrijks diepten delv,
Maar met d onschatbren schat bedeelde:
De dierbre weêrhelft van my-zelf!
Ingezonden: 5 september 1997