Willem Bilderdyk (1756-1831)

Landzang.

Verleen my hier, stille heemden
Van ’t geestverdovend volksgewoel
Waar harten van zich-zelfs vervreemden,
Een oogenblik van zacht gevoel!
Hier, na ’t gedruisch der levensbaren,
Hier zoek ik ’t kalme van de rust;
Hier, waar ’t geschommel van de blaren
De zorgen in den sluimer sust.

Waar Zomer door de Lente wemelt,
Het bloemgeflikker, rijk in pracht,
Met starrendosch den grond verhemelt,
En ’t groen met Winters aanval lacht.
Waar de overvloed met volle horen
Zijn schatting uitstort over ’t veld,
En onder ’t goud van most en koren,
En geur en kleuren samensmelt.

Waar steile en breedgespreide telgen
In saamgevlochten boog aan boog;
Den middaggloed tot niet verzwelgen
Van ’t aldoorblaakrend zonnnenoog;
Het koeltjen onder ’t welfsel dartelt,
En ’t schemerlicht vertrouwen schept;
Van ’t zoele Westen zacht doorsparteld,
Dat luchte vlindervlerkjens rept.

Waar ’t beekejn langs bebloemde weiden
In kronkels wandelt van kristal,
En, siddrend van heur lust te scheiden,
Zijn armen klemt om ’t zalig dal;
Om eindlijk met een murmlend zuchten
En ’t blaauwe voorhoofd rimplend nat,
’t Verlokkend pronktooneel te ontvluchten,
Waar ’t loop en ruischen in vergat.

Maar neen — het keert, het wendt zich weder,
En kleeft zich aan, waar langs het glijdt;
Dan ach! — — — daar stort het plotsling neder,
En schuimt en klatert van de spijt.
Nu hoort men ’t met een toornig klotsen
Zich golvend wentlen over ’t zand,
Of storten langs de dorre rotsen,
En sterven aan een eenzaam strand.

Wat doet ge, Zangers in ’t gebladert’;
’t Is morgen, en de nacht verstreek:
Wat zit ge in stillen rouw vergaderd?
Of deelt ge in ’t treuren van de beek?
Ja, ’k hoor door Prognes kermend kwelen,
En ’t droeve zusterlijke lied,
Dan nagalm wer der Echo spelen,
Nog jamm’rende om Narcissus vliet.

Rijst, pijn en beuken, schudt uw toppen,
(Den wind ten trots die om u loeit,)
Die storm noch zon noch regendroppen
Of schokt of dnat of verschroeit!
Hier mag in ’t stille minnekozen,
Door dag noch ijverzucht gestoord,
De maagdenkoon verruklijk blozen,
En ’t klappend kusjen zacht gesmoord!

En gy, onberoerde plasschen,
Waar ’t zilvren vischjen dartel springt,
Waar zwaan en duif heur kuiven wasschen,
En ’t vinkjen op den riethalm zingt!
Verdubbel door uw tooverlogen
Het licht, de galmen,die gy vangt;
En streel des meisjes lonkende oogen,
Wanneer zy over de oever hangt.

Laat, laatze op ’t schoon diens boezems staren,
Nog onbekend met waar ze om hijgt;
En pijltjens voor dat oog vergaren
Waarme ’t de Herderjeugd bekrijgt.
De Liefde huppelt langs de velden,
En lacht ze in schalkschen moedwil aan;
Hy zal haar d’ overmoed vergelden,
Als ’t tijd is van dien ner te slaan.

Tot zoo lang, speelt, argeloozen;
Maar ach, verheft u niet te veel!
Eens vallen de uitgebloeide rozen,
En de enkle doorne blijft den steel.
Die thands haar wenscht aan ’t hart te drukken
En ’t vol te zwelgen aan heur zoet,
Zal ’t ledig struikjen niet meer plukken,
Of ’t is tot schaamlen wintergloed.

Leert, Maagden, leert uw gunsten sparen;
Verkwist ze niet uit wulpschen zin;
Speel Zefir met uw blonde hairen,
Maar sluip’ hy u het hart niet in!
Neen wacht op d’ adem van het Leven,
Die nog onzichtbaar om u waart;
Die moge u bloed en ziel doorzweven,
Vereend, verzelvigd; niet gepaard!

Nu zwijg, Mijn Cythe; rust, mijn zangen!
Geniet (mijn boezem!) al uw heil;
En, stroomt met wellust langs mijn wangen,
Tranen, voor geen kroone veil!
Aanvaard haar, die my staat noch weelde,
Of wat m’ uit ’s aardrijks diepten delv’,
Maar met d’ onschatbren schat bedeelde:
De dierbre werhelft van my-zelf!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 5 september 1997