Nunquam rebus credere laetis.
Niet te onrecht vloeide uw mond, gestijfd door de
ondervinding,
(ô Oudheid, schoon omwolkt met Heidnen zielsverblinding,)
Van klachten over, en weêrgalmde u Schouwtooneel
Van wrokkend Godendom in t zangrig momgespeel,
En strenge Nemesis, die trotsche Lukgenooten
Meêdogenloos op eens van throon en zetel stooten,
En van den top des heils in t jammerend verderf.
Ja, dit s het menschlijk lot en s eersten Vaders erf.
Het aardsche heil is ijs, niet glibbrig slechts in t
treden,
Maar smeltende onder hem, wiens voet, niet uitgegleden,
Niet wanklend, zeker staat, den hals om hoog gebeurd;
Zoo t door de stoutheid van den voetstap-zelf niet scheurt.
Ach, t eischt bedachtzaam gaan en vluchtig overzweven,
En hangt aan t windgeblaas van t hobbelzuchtig leven,
Dat, naar een hooger wet steeds ginds en weêr beroerd,
Nu t vloeibre water stremt, en (t schijnt) met marmer
vloert,
Dan, t overmuurd gegolf, zijn kerker uitgebroken,
t Met schuim bevrachte hoofd van razerny doet rooken,
En worstlen met de lucht die t geeselt en betoomt.
Onzinnig, die op de aard van iets bestendigs droomt!
Het wentlend rad heft op; maar wee by t roekloos brallen,
Die t opgestoken hoofd niet buigt voor t nedervallen!
Hy stort verschriklijk, en vermorselt. Stervling, ja!
Maar noem den Hemel niet vijandig, de ongenâ
Van t lot niet ongerecht. Geen Godheid is u nijdig;
Uw heil is met u-zelf, niet met Heur doelwit strijdig.
t Berust in schatten niet, of scepters. Neen, ô neen!
t Berust in vatbaarheid voor hooger zaligheên.
Voor zaligheden, met eene aarde niet vereenbaar,
In t toppunt van haar heil, al duurde t, nog
beweenbaar;
Voor onverderflijkheid, die als deze aard vergaat,
Onwankelbaar als God, en in God-zelf bestaat.
In God; in t aardsche niet, waarin we op aarde
hangen,
Ons streelende in den wind, dien we in de zeilen vangen,
Uit rag geweven, en in t midden van den spoed
Aan flarden barstend by de barning van den vloed.
ô Kindrenn, die zoo dwaas in t kindsch gedartek wemelt,
Naar t laffe wanzoet jaagt, in t streelen van t
gehemelt
U doodlijk, en de pest van t Helsche stikvenijn
Met gulzichheid verzwelgt in s Afgronds zwijmelwijn;
Misleiden! de artseny moog prikklende alsem wezen,
Dank, dank hem die ze u schenkt tot redding, tot genezen!
Zij de aardsche weekheid blind, van heilzaam, voedsel warsch,
En wijz zy t middel af, met ondank; s Hemels
Arts
Dwingt beiden op met kracht, in spijt van t tegenstreven,
En temt den wederstand. Hardnekkigen, leert beven!
Kent, kent u-zelven. Neen, geen welstand; ijdle trots,
Aan t aardsch genot verkleeft, treft de ongenâ diens Gods
Die de Afgodsdienst vervloekt, aan aardsche of eigen waarde
Bewezen, t zelfgevlei dat steeds aan voorspoed paarde;
En wie op wijsheid, schat, of macht, of glorie stoft,
Te loor stelt, en op eens in diepen afgrond ploft.
Zie daar de Nemesis der Oudheid. Opgestegen
Tot eer, lache u t Geluk van alle kanten tegen,
ô Stervling, buk het hoofd, wees needrig, dank en bid;
En spil den Hemel niet voor klaatrend tijdbezit!
Zoo niet; de donder smeult, hovaardige, in Gods handen,
Om, hem die t hart verstaalt ten wraakgericht, te
ontbranden,
Den zwakke, in t net verward, in t sluimrend
hart te slaan,
En allen (zoo mag t zijn) te redden van t vergaan.
Ingezonden: 5 september 1997