Willem Bilderdyk (1756-1831)

Oranje.

Nec viget quicquam simile aut secundum.
                                                    H O R A T.

Wat Vorst, wat wakkren Godenzoon
Zult ge in den stouten Heldentoon
Op Luit of Lofschalmei verbreiden,
Wien, Klio, tot den roem geleiden?
Wiens naam is ’t die door Pindus dal
In lauwrenboschklank golven zal,
Of Helmus steilen top doen schudden,
Als toen van melody doorstroomd,
Uw Orfeus ’t wandelend geboomt’,
En ’t ondier door de stem betoomd,
(Als luistervaste lamm’renkudden
Op ’t fluitjen van de Herdersknaap)
Met losgelaten stroom en winden
Aan ’t zoet dier galmen wist te binden,
En eigen zorgen suste in slaap?

Gy Dichtkunst wier verheven lied
Door aard- en hemelkreits gebiedt
Die razerny in band kunt wringen,
Gebergte en steenklip op doet springen,
En d’ aardlompzonen ’t hart van rots
By ’t buldrendst van het golfgebots
Der woedend aangestormde tochten,
Verbrijzelt, lenigt, en herkneedt;
De nepen zalft van ’t grievendst leed,
De tanden breekt van d’ addrenbeet,
En schoonheÍn schept uit schrikgedrochten;
Daal, Englenwellust, PoŽzy,
Daal neder, klep me uw zwanenschachten
Om ’t hoofd, en zet me uw tooverkrachten,
Uw boezemgloed en adem by!

Wien zinge ik eer dan d’ achtbren Vorst
Wiens Godsdienstvlam in de eedle borst
Wiens zucht, voor NeÍrlands heil ontglommen,
Vereend voor ’s Hoogsten aanschijn klommen:
Die in ’t voor ons geofferd bloed
Den throon der Vrijheid van ’t gemoed
In ’t oog van ’t slaafsch Europa stichtte
Op d’ onder ’t juk vertrapten grond:
Wiens groote ziel op ’t wareldrond
Nooit stormen, hem te machtig vond,
En nooit voor de overstelping zwichtte.
Die, meer dan Vorst en Oorlogsheld,
Den laatsten zucht van ’t roemrijk leven
Aan NeÍrlands welvaart heeft gegeven,
Met hem door ’t moordend lood geveld.

En Gy, met rijker lauwerbla‚n
Dan immer krijgshoofd overla‚n,
Gy, spranken uit een Hemelsche ader
En Broedren, waardig zulk een Vaderl;
Die NeÍrland, veilig door uw moed,
Besproeidet met dat vijands bloed,
Waaruit die blinkende oogsten stegen
Van weelde en overvloed, en macht,
Die ’t ras ondankbre Nageslacht
(Door dartle dronkenschap verkracht,
En vadzigheid in d’arm gezegen,)
Miskennen moest; Ű roemrijk paar!
Aan uy, doorluchte Prinsenloten
Uit Vader Willms heup gesproten,
Aan u behoort de zelfde snaar.

Gy, Oorlogsbliksem, in wiens heir,
(Der Vorsten school van moed en eer,)
Zich helden vormden tot verwinnen;
Gy, kweekling ook der Zanggodinnen;
De zuil der bange Sulamiet
Als alles aan heur arm ontschiet;
Gy, Heilbedwinger, Godsdienstwreker,
Zie neÍrm o dierbre Oranjespruit,
Zie van uw hemelglorie uit,
En vang de klanken van mijn Luit,
Bestraffer van den bondverbreker!
Ű Moog de oprechte hartendank
Die duizende u ter eer’ verheffen,
U van omlaag het oor nog treffen,
Versmolten in mijn Cytherklank!

Ű Waarom moest die Mavorsloot,
Zich koestrende in Cythers schoot,
In Junoos heilge echtprieelen
Geen zoonen tot zijn grootheid telen!
Ű Waarom heeft een wrevel lot
Dien scheut uit Nassaus boom geknot!
Maar neen, zijn roem, zijn heldenlemmer,
Blonk heerlijk in zijns broeders vuist,
Heeft Spanjes overmoed vergruisd,
En waar de zee om d’aardkloot bruischt,
Zy voert zijn naam als Dwangbetemmer;
En ieder droppel van zijn bloed
Schoot uit in onbezweken helden
Wie ’s aardrijks einden juichend melden,
Zoo verr’ de zon het Westen groet.

Doch zwijge ik u, wien Maurits ziel
By ’s Grootva‚rs naam te beurte viel,
Ű Bloem, uit Fredriks koets ontloken?
Wiens bloed door Vaadrengloed van ’t koken,
In ’s levens vroegen morgengloor
Op ’t haast gesloten Heldenspoor
Den schoonsten middagglans beloofde!
Wiens Ridderlijke heldenleest,
Wiens door een God ontvonkte geest,
En ’t oog, door ’t schalk verraad gevreesd,
Wat groot, wat Vorstlijk was, verdoofde!
Waar, waarom, Ű verstorend God,
Dien schat van Goddelijke gaven
In d’ opgang van zijn jeugd begraven,
Ten zegepraal van ’t dwangziek rot?

Rijs, vrucht der Weduwlijke koets!
Gy, laatste spat des heldenbloeds
Tot NeÍrlands eenigst heil geschapen,
Reeds wacht u ’t blinkend oorlogswapen,
(Hoe zwak, hoe teder, hoe verdrukt,)
Die ’t weÍr de Dwinglandy ontrukt.
Rijs, Derde Willem, leer verduren,
Wat dolle wraak en vorstenhaat
Met de uitgezochtste beulensmaad
Om ’t kinderlijke Weesjen laadt!
Leer Vaadren welda‚n wreed bezuren!
De Godheid ziet het; lijd en hoop!
Door nieuwe welda‚n zult ge u wreken,
Op nieuw eens Dwinglands kluisters breken,
En redder zijn van gantsch Euroop.

Wat grimt hier ’t gluipend Staatsverraad!
Het uur van NeÍrlands grootheid slaat.
Ja, weiger Vorstelijke banden!
De scepters vallen in uw handen,
De diadeem omvangt u ’t hoofd,
En de Aard, uit Frankrijks klaauw geroofd,
Buigt neder voor uw Heldendegen.
Regeer! ’t Heelal ontvangt uw wet,
De kop des Dwinglands werd verplet,
En NeÍrlands Vrijheid is gered,
Haar roem, haar bloei, ten top gestegen!
Blijf Afgunst, zelve u harta‚r af;
Zijn beuklaar weet Euroop te dekken,
Zijn voorzorg weet zich uit te strekken
Tot over ’t hem verzwelgend graf.

Rust, Cyther, rust : uw snaar verlamt!
Doch, ’t Hollandsch harte bruischt en vlamt,
Neen, zwijgt niet, al te slappe koorden;
Uw weÍrgalm klinkt langs de Amstelboorden,
Door Rhijn en Maas en Vliet herhaald,
Zoo verr’de Oranje standaart praalt.
De Nymfen die door ’t vocht krioelen
Dat vijfden Karels wieg omspat
Herhalen ’t aan het klaatrend nat
Dat Godfrieds rijk in de armen vat,
De waatren die zijn burcht bespoelen;
En de Echo van Sint Peters rots
Voert Nassaus rijke gloriepalmen,
Verdubbeld in herhaalde galmen,
Te rug naar Nieuwpoorts strandgeklots.

Want ja, ook u, u zwijge ik niet,
Ű Tweede Tak die ’t lommer schiet,
Waarin, na woeste Staatorkanen,
Na zeŽn van geplengde tranen,
Burgonjes erfdeel veilig rust,
Van vrede en overvloed gekust.
Kom, Frizo! grijp de losse teugels
Van ’t zuchtend NeÍrland,weÍr in nood,
Van moed, van hulp, van raad ontbloot!
Verdien den Heldennaam van groot!
Vlieg toe, op meer dan arendsvleugels!
Ja, ’t vratig Frankrijk spalkt zijn strot
En zwelgt — Verbreek het muil en tanden,
En scheur van uit zijne ingewanden
Den roof. Uw arm is de arm van God.

Nu, schrei mijn boezem! Ja herdenk
Aan ’t afgebeden Godsgeschenk,
Den vijfden Willem, snood verstoten
Door saamgehitstee vloekgenoten,
Als de aard, door de Oproertoorts verwoest,
Gewisse en eer verplettren moest,
Daar de afgrond, woedende opgedonderd,
De Godheid naar Heur rijkskroon stak,
En Heiligdom en Wet verbrak;
En ’t door den storm geteisterd wrak,
Door vreemd geboefte leÍggeplonderd,
In de opgeruide golven zonk;
Tot eindlijk, ons ter wraak bewogen,
De Wonderstem van uit den hoogen
Tot Nederlands verlossing klonk.

Godvruchtige Vorst, beproefd in ’t leed,
Ja eer mijn cyther u vergeet,
Vergeet mijn boezem ’t ademhalen;
De zon, mijn oogen toe te stralen;
En zwelg’ my ’t aardrijk in zijn schoot! —
Maar Gy die uit zijn lenden sproot,
Verschijn gy, Zoon van zulk een Vader!
Ons NeÍrland, zijn verdwaasheÍn moÍ,
Strekt, Dierbre, u de handen toe:
Verschijn, bemoedig, en behoe!
Ja, telg van Volkbevrijders, nader!
Gods Almacht wenkt, en treedt u voor:
De stranden juichen, harten branden!
De vreugd doorklinkt de Tempelwanden,
En galmt te rug van ’t Englenchoor.

Grijp, Koning, grijp den elpen staf!
Der eeuwen keten breekt hier af;
En nieuwe tijdkring wordt ontsloten;
Haar morgenlicht, ter kimm’ ontsproten,
Blinkt heerlijk na dees worstelstrijd;
En — door wat bloed wordt ze ingewijd!
Door ’t uwe, jeugdig Prins; en rozen,
Ontluiken uit dat drupplend bloed
Ten zegel van uw Heldenmoed,
En doen d’ ontzetten Oorlogsstoet
Van nieuwverdubbelde eerzucht blozen.
Ja rozen, prikk’lend tot den roem,
En gloeiend van de Oranje glansen
Die blinkende aan de morgentransen,
U teeknen als de Vorsten bloem.

Rijs, Riddelijke Krijgsheld, rijs,
Ontfang der Dichtkonst eerbewijs,
En schittre in vlammend lichtgeflonker
Uw naam der eeuwen glorie donker,
Als Febus op zijn zegekar
De tintelglans van de uchtendstar!
Klim laat, maar met nog heldreer luister,
Op d’aan uw stam verbonden throon;
Hecht nieuwe parels aan uw kroon;
Stijg op als Eersten Willems zoon,
Als hy, verbreker van den kluister;
Herschep in ’t zegenrijkst gezog,
Voor de eeuw van lasterlijk weÍrstreven,
Der Vaadren goudeeuw aan hun Neven,
Tot d’ eens verwachten gloriedag!

Gy, Vorst der Vorsten, die in ’t licht
Uw stoel op Serafsvleuglen sticht,
En wien de donderwolken dragen!
Zie, Vader, van Uw Oorlogswagen,
÷p ’t langgeschokte NeÍrland af,
En sterk den Koninklijken staf!
Verbrijzelt ’t woest en muitziek wrijten!
Staaf Nassaus zetel, sterk zijn band!
Bedaauw, besproei de Oranjeplant,
En vest den Throon op ’t diamant
Dat Hel noch Wareld zal verbijten!
Sla, Heiland! sla uw kudde g‚;
Tot u verheft zy reine palmen,
U rijzen NeÍrlands wierookwalmen,
U, bron en rotssteen van gen‚!

      1825.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 augustus 1997