Willem Bilderdyk (1756-1831)

Inleiding Rotsgalmen deel 1

                   Multa fidem promissa levant ——
Zegt Horatius en het is zoo:
   Die veel belooft, verdient niet veel geloof te vinden.

Ik beloof hier weinig, want wat kan men minder dan mijn tytel thands aankondigt! Zekerlijjk, de ouderdom mag nog wel een warm worden, maar de Dichterlijke wieken recht in de lucht te verheffen en los van den grond te gaan, is zijn werk niet. Doch houdt daarme de Dichter op ? — Neen, hij kan denkbeelden en gevoelens ontwikkelen, die de bruischende jeugd als in ’t wilde daar hem heen smijt, te rijk om er by stil te staan. En ook dit heeft toch eenige waarde. Immers men heeft dergelijke met genoegen ontfangen; en misschien zelfs is het voor de eigenlijke Kunst der Pozy, zoo wel als voor het Zielkundige, van een grooter belang dat men meent, daar iets aan te hechten. Van dien aart is, by voorbeeld, het Italiaansche meesterschrift, waarvan het geheele denkbeeld in het

                                        Cadmid nigellae filiae
van Ausionius ligt. Zoo is hier de Oudrenkommer in het
                                        Ut adsidens implumbius pullis avis
van Flakkus. Zoo —— Maar men leze en merke op !

   Inderdaad wordt de Pozy van den grijzaart dus Nagalm. Ja nagalm van een geheel vers, uitdrukking, ingeschoten gedachte, eigen of vreemd; maar alle echo is geen bloot en verzwakt herhalen. De Natuur vormde er ook, die de klanken wer- en werom geven, in velerlei stemmen vermingvuldigen, en dus aan zich-zelve beandwoordende, in welluidende toonkaatsingen door de lucht om zweven, en die ’t een genoegen is aan te hooren.

   Voor ’t ovrige, het krekeltjen huppelt en zingt wel een tijd lang, maar ’t verdwijnt en verdroogt, en welhaast blijft er niet van hem dan het flaauw gepiep n het schoorsteenhol. ’t Is het galmen in bosschen en rotsen gelijk, waarvan Naso, wanneer hy de minnares van Narcissus beschrijft :

      Attenuant vigiles corpus miserabile curae,
      Adductique cutem macies, et in ara fuccus
      Corporis omnis abit. Vox tantum atque ossa supersunt.
      Vox manet; sylvisque latet nec monte videtur,
      Omnibus auditur. Sonus est qui vivit in illa.

      Bekomm’ring, nachtwaak, put het lijdend lichaam uit:
      De sappen droogen, en de schraalte krimpt den huid.
      De stem slechts in ’t gebeent’, de stemgalm blijft nog over
      En roept elk hoorbaar toe uit rotsspelonk of lover.
      ’t Geluid is ’t dat nog leeft en ’t overschot bezielt.

   Welaan dan! Dat geluid, deze stemgalm, maakt thands nog mijn overig leven uit en klinke ook nog voor Recht, Godsdienst, en Vaderland, zoo lang de Almachtige my den adem laat! En is het, als de Poet zegt, rauco murmure, 't zij zoo. Ja de dorre en heesche keel (krijscht zy slechts niet) zal nog hoorders vinden, by wien zy voor dezen behaagde. Zijn zy weinigen, des te beter, ik hou mij aan de les van Kleanthes:

      Die wijs is, zie niet om naar de ijdle schim van Roem,
      Noch acht' wat schaamtloos volk in domheid eere of doem':
      't Heeft oordeel noch verstand en strompelt als de blinden.
      By weiningen alleen is rede en smaak te vinden.

   En tot die weinigen behooren geen heesche nakraaiers van Verengelschte Franschen en Duitschers, wier dikke en plompe vingeren den toon waar zy naar grijpen altijd misvatten en volstrekt geen gehoor hebben om in harmonie met waarheid, of zelfs met elkander te stemmen; aanbidders van de Eeuw waarin zy meenen de wet te kunnen geven, en die met al hare voorrechten, waar zij meenen de wet te kunnen geven, en die met al hare voorrechten, waar zij rechtmatig of ingebeeld zich op verheft, het beeld der rampzalige is, waarvan de zoo even genoemde Ovidius:

            Felicissima matrum
      Dicta foret Niobe, si non sibi visa suisset.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 30 augustus 1997