Willem Bilderdyk (1756-1831)

Zomerlust.

Fastidiosam desere copiam.
                      H O R A T I U S.

Welaan, mijn Vriend, den rook der Steden
Naar Rhijn of kronklende Vecht,
Op ’t rollend wagenwiel ontgleden,
Met al de ontelbre lastigheden,
Aan praal en straatgedruisch gehecht!

Ook rijkdom tracht een nieuw genoegen
By ’t afgewisseld standgemis,
Aan ’s levens weelde toe te voegen,
In ’t zweet van ’t noestig akkerploegen
Of ’t spijzen aan een boerendisch.

Daar strijkt zich ’t voorhoofd uit zijn plooien
Ontzinkt de zorg ’t omklemde hart,
Waar zij’nog goud de wanden tooien,
Maar bloem en kruid de vloeren strooiten,
En ’t seissen door de grashalm knart.

De hondstar schiet heur felle stralen
In bondschap met den zonnegloed,
En schroeit en blakert veld en dalen,
Beklemt de borst in ’t ademhalen,
En ’t labbrend vischjen in den vloed.

De herder kiest voor ’t kwijnend schaapjen
De schuilplaats van ’t verkoelend loof;
De maaier zoekt in ’t middagslaapjen,
By ’t pijpgeruisch van ’t ledig knaapjen,
Verpoos aan de opgedragen schoof.

Het koeltjen waait met slappe vlerken,
En sust de branding niet der lucht.
Het beekjen laat geen rimpel merken;
Geen adem ruist er door de berken;
Geen sijfflend biesjen geeft een zucht.

Laat klubs- en letteroorlog varen,
En Brussel vrij met ’s Gravenhaag
Na ’t arbeidswee van drie paar jaren
In ’t eind een lijvig wetboek baren
Dat Frankrijks schandeeuw eens verjaag’!

Laat Staat en Staatspartyen twisten,
En trekken Spanje of Frankrijk streng!
Wat zouden we onze dagen kwisten
Aan dom geweld of sluwe listen?
By ons zij ’t goed, wat God geheng’!

Zij ’t onze zorg, Zijn gift te smaken
Met kalme ziel, in ’t lot gerust;
En leeren wy by ’t zonneblaken
In ’t koel verdek der rietendaken,
Wat Heb- en Heerschzuchts branding bluscht!

      1823.

Na Horatius.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 7 september 1997