Willem Bilderdyk (1756-1831)

Blindheid.

Zaagt gy ooit den nachtegaal
In de traliekooi gevangen,
Kwelende haar tooverzangen
Als in Pales loovrenzaal?
Ach! de onzaalge stort haar lied,
Is in wellust opgetogen;
Maar helaas! zy mist heur oogen,
Waant zich in haar lindenbogen,
En haar kerker kent zy niet.

Zoo ook zingt ge, Pozy,
In dit aardsch verblijf van kommer
Voor de zoele Hemellommer,
Uw verheven melody.
Waan u vrij aan Gihous vloed;
Waan dat Edens breede palmen
Uwe tonen tegengalmen;
’t Is ’t gepiep der waterhalmen,
Die de nachtwind ruischen doet.

Arme Dichter, ach hoe lang
Tokkelt gy op doffe snaren
By ’t gedruisch der wareldbaren
Uwen treur- en jammerzang?
Ach! gy zongt voor ’t menschlijk hart!
Maar het zijn slechts dorre rotsen,
Waar uw tonen tegen botsen,
Smoorende in het golvenklotsen;
Slechts de strandgalm deelt uw smart.

Ach, gy zijt nog meer dan blind.
Waant by monsters, schrikgedrochten,
Van verwoedheid aangevochten,
Dat gy menschenzielen vindt.
’t Is geen menschdom dat u hoort,
Wien uw zang het hart kan winnen;
’t Zijn ontmenschte Wijnpapinnen
In verbijstering van zinnen,
Nog bloedend van Orfeus moord.

Zwijge uw Cyther! trap ze in ’t zand,
En verwoest die teedre snaren
Die voordezen dierbaar waren
Aan een dankbaar Vaderland.
Blinder zijt ge dan Homeer,
Dat ge in dees verwoeste hoeken,
In ’t verblijf der Helsche vloeken,
Naar uw bakermat kwaamt zoeken;
Naar dat Holland van weleer.

Zingt gy? zingt dan voor u-zelf!
Stort den Dichtvloed uit uwe aderen
Aan de Geesten uwer Vaderen;
Sluit het in hun grafgewelf.
Mooglijk dat het licht eens blinkt,
Dat, door zuivrer zucht gedreven,
Een geslacht van later Neven
Aan zijn galm gehoor zal geven,
Als hy uit den Grafkuil klinkt.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 14 september1997