Willem Bilderdyk (1756-1831)

De Bruid.

In de Ochtendstond, de Lente van het leven,
Praalt frissche jeugd, zich-zelv nog onbewust.
De maagdeblos begint de kaak te omzweven
By de eerste vonk vna nooit gevoelde lust.
De schoone wordt gevierd en aangebeden:
Zy ziet op de aard nog onverschillig rond;
Maar elke zucht haar argloos hart ontgleden,
Verlangt een hart dat, wat zy wenscht, verstond.

Zy vindt dat hart — Nu gloeien haar de wangen;
De schaamteblos verhoogt zich op ’t gelaat.
Nu zwoegt haar borst van meer bestemd verlangen,
En raadt den man, waarvoor heur boezem slaat.
Nu bleekt haar ’t groen van ’t schoonste Lentelover,
Zoo ’t van zijn oog geene nieuwe glans ontfangt:
Geheel haar ziel geeft zich den minnaar over,
Die met het oog aan hare wenken hangt.

Hy wijk; ’t nacht, en zy vergeet te leven:
Hy keer’; haar hart vliegt brandend hem te moet.
Zijn handendruk doet haar den boezem beven;
Zijn adem vlamt en tintelt door haar bloed.
Haar oog, haar ziel, hangt drijvende aan zijn lippen;
En mocht die ziel met hem te samenglippen,
Geen pijn, geen leed, viel ’t teedre hart te bang.

Zalig dan, als welgestemde zielen
Zich dus verstaan! o Zalig dan het licht!
De Huwlijkskar op diamanten wielen
Spreidt al zijn glans voor haar verrukt gezicht.
Gelukkige, zie daar den zegewagen
Van reine Min! treed op als teedre Bruid!
Een tortelpaar, in dat gareel geslagen,
Ontvoert u de aard, en alle smart heeft uit.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 14 september1997