Willem Bilderdyk (1756-1831)

De razende Dwingzucht.

Wat Vierschaar mag
Zich hier ’t gezag
Op ’t vrije hart vermeten,
Verstoort en smoort
Het vrije woord
Van ’t bandeloos Geweten?

Wat dol getier
Verstout zich hier
Gods ordning om te keeren?
Wat wapenschreeuw
Om de ijzren Eeuw
Voor goud te doen vereeren?

Een woeste drom
Roert de oorlogstrom
Voor halfvertrapte wormen,
Om op den throon
Van ’s Hoogsten zoon
Vermetel aan te stormen.

Hun zinloos rot
Beoorloogt God,
Vermeet zich Eigen waarde,
En slaat den band
Van ’t onverstand
Om de ommekreits der aarde!

Gy, slijkgebroed,
Wat durft ge uw voet
Op Koningszetels zetten;
Verkracht Natuur
En Staatsbestuur
Door Helsche gruwelwetten?

Wat Tuimelgeest
Wien ’t alles vreest,
Heeft dus uw ziel bekropen?
Wat Helmacht zwoer,
Het heiligst snoer,
By Staat en Kerk, te sloopen?

Uw razerny
Maak slaven vrij
In andre Hemelkringen;
Doch wat bestaat
Gy ’t Hollands zaad
In ’t slavenjuk te dwingen?

Wat neemt gy ’t brood
Uw’ stofgenoot,
WeÍrstrevig aan uw woede,
Wanneer hy ’t pand
Van ’s Hoogsten hand
Beveelt aan ’t Hoogsten hoede;

Maakt hongerdwang
Ten folterprang
Van hulpelooze telgen
In weldaads schijn,
Om helsch fenijn
In de aders in te zwelgen?

Gaat, wreedaarts, woelt,
Die niets gevoelt
In ’t onverstandig dweepen,
Maar, ’t vee gelijk,
Van ’s Afgronds rijk
U blindling meÍ laat sleepen!

Ja, mengt steeds gift
Met blinde drift,
In schijn van kwaad te heelen;
En maakt een Kunst
Van ’s Hemels gunst
Tot dartlend tooverspelen!

Verwoesters, gaat,
Pleegt duivlen raad,
Verlochent God en reden.
Geweld noch kracht
Fnuikt GoŽls macht,
Hy heeft de slang vertreden.

Ja monsters, beeft!
De Wreker leeft,
Die gruwlen weet te straffen;
En ’t braaf gemoed,
Dat Godsvrees voedt,
Veracht uw schaamtloos blaffen!

1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 13 september1997