Willem Bilderdyk (1756-1831)

Geluk.

Nil admirari
        HORATIUS.

Daar is n ding, mijn vriend, en ’t eenigst ding op aard,
Waardoor men zich ’t geluk verkrijgt, en ’t ook bewaart;
Dat is: Dat niets hoe ’t zij, ons aandoet of verwondert.
Daar zijn er die het wr, hoe ’t stormen blaast of dondert,
Die zon, en maan, gestarnte, en jaar, en jaargetij’
Zien wisslen zonder schrik en van bekomm’ring vrij.
Wat, meent gy, denken die van ertsen en metalen
Die ’t aardrijk opgeeft? wat van paarlen en koralen
Waar de Indiaan me pronkt uit Tethys waterroof?
Wat van den werhaan van de Vorstengunst ten hoof,
Of ’t schatrend gejuich van ’t overdwaalsche gepeupel,
Dat, naar wie ’t voordanst, hinkt, hy gan dan recht of kreupel,
En morgen mooglijk vloekt dien ’t nu ten hemel heft?
Hoe meent ge en op wat voet dient al die bol beseft?
Ach, zien wy ’t alles aan met onverschillige oogen!
Wie vreest en wi begeert wordt even zeer bewogen;
Aan ’t een en ander is gelijke ontroering vast,
En elken boezem treft, wat onvoorzien verrast.
Genoegen of verdriet, en schroomen of verlangen,
Wat scheelt het, als we ons hart aan eenig voorwerp hangen,
En zoo wat beter is of erger dan men ’t wacht,
Gelaat en hart ontstelt en heel de ziel verkracht?
Den wijze moogt ge een dwaas, en ’t recht partijdig heeten,
Wanneer in ’t goede-zelf de maatstaf wordt versmeten.
Ga, stel op purper prijs, belonk den diamant,
Of hecht aan tafelpracht, aan koets, of ridderband,
Of dat men zich verdring’ wanneer ge een vers zult lezen,
Of werk u-zelf in ’t zweet om eenmaal rijk te wezen:
Wat helpt het? Streef wellicht uw naasten buur voorby,
En andre, zeker, brengt het verder nog dan gy.
Wat zult ge u om een zot, en op zijn voorgang, kwellen,
Die wel deed, u zich-zelv’ ten voorbeeld voor te stellen!
Of is ’t om dat hy (licht) uit lager klasse sproot? —
Wat voorkomt uit de mist, wordt altijd spoedig groot,
En de oude en schoone stam verdroogt en valt ter aarde,
En wy daar onder, vriend. Hier helpt geen koningswaarde;
Hebt ge eens door markt en straat uw toertjens afgerend,
En zijt ge om ’t grootsch livrei by rijp en groen bekend,
Gy moet ad patres met den minsten ketellapper,
Al waart ge een Salomon of Plato, ja nog knapper.
Indien ge een zware pijn aan milt of lever leedt,
Vast, hieldt ge om ’t kwijt te zijn, de poging wel besteed;
Welnu, gy hebt u meer, iets grooters, te onderwinden.
Gy reikhalst naar geluk; en — waar is dat te vinden ? —
In kracht van geest alleen. Wees daar, wees daar op uit,
En toom en onderdruk al ’t geen uit weekheid spruit.
Bestaat de wijsheid slechts in woorden, naar uw meenen,
Als ’t bosch in boomen? Goed! weldaan dan, rep uw beenen,
Dat ge elk een vlieg af vangt, waar ’t winst geeft. Loop en draaf
Naar korenmarkt en beurs; grijp om u als een raaf.
Hoop de eene tonne gouds op de andre; dan een derde,
En zorg dat in een jaar ’t miljoen volkomen werde.
Het alvermogend geld verschaft een rijke vrouw,
En vrienden, en krediet, en onverdenkbre trouw:
’t Schenkt aanzien en geboorte, en jeugd en frische leden,
Verstand, welsprekendheid, en zelfs bevalligheden.
Een Vorst hebb’ volks te veel, nooit heeft hy gelds genoeg.
Lucullus wees hem af die honderd mantels vroeg:
Wat? honderd! ’k heb ze niet, dat is te veel begeeren;
Maar (zei hy,) ’k schenk u graag al ’t geen ik kan ontberen;
’k Zal ’t aanzien. Doch hy had er vijftigmaal zoo veel,
En zond ze; en echter bleef zijn kleerkas in ’t geheel.
Armoedig is een huis daar niet een aantal zaken
Te veel zijn, waar ’t gezin zich vrolijk me kan maken;
Dat eischt de voeglijkheid. Dus, hebt gy ’t eens beslist,
Dat alle heil alleen bestaat in de ijzren kist,
Wees vroeg en laat gereed met schrapen, slaven, zwoegen.
Of hangt aan Ampt of Staat het opperste genoegen,
Leer d’Almanach van ’t Hof van buiten, dat gy weet
Wie elke post of plaats die invloed heeft, bekleed’?
Loop de audinties af, en buig, en maak strijkaden,
En knikker van de baan, wiens aanzoek ’t uw kon schaden;
Speel Jonkheer voor en na, en Welgeboren Heer;
En vangt ge tienmaal slib, kom telkens echter wer. —
Of stelt ge in tegendeel het heil in ’t gastereeren;
Wel nu, dat hoort wat toe om ribbe en buik te smeeren;
Aan ’t werk! hier is al me wat zorg en vlijt aan vast,
en menig schouder is bezweken van die last.
’t Is heden met geen struif of diepgeruite wafel
(Die Cats in vroeger tijd deed pronken op de tafel,)
Of zuster, met konijn, of trapgans, of kalkoen,
Of bout, of paterstuk, of kermisharst, te doen.
Een Gastromaan, moet thands geheel voor ’t eten leven,
En Franschen poespas de eer van ’t hangend buikjen geven;
Moet schaffen…ja wat al ? — Al wat mijn mond niet lust,
Mijn maag niet velen kan, onkenbaar saamgeklust;
Wat niemand raden kan, en allerhande smaken
Gemengeld proeven laat, maar my het hart doet braken.
En dan behoort gy naam en oorsprong van ’t gerecht
Ze kennen als een koks of taartenbakkers knecht;
Te weten, wat men hier, wat elders best kan krijgen,
Wat tijdig is of niet. Doch beter mocht ik zwijgen
Voor de ingewijden in God Komus kabinet,
’t Geen vrij wat meer vereischt dan half de Roomsch wet.
Genoeg! Ja, is ’t iets groots, als Gastheer wel te pralen
Of bon vivant te zijn; men moet het duur betalen,
Met jicht, met podagra, kwaadsapppigheid, graveel
Met duiz’ligheid in ’t hoofd, verharding in de keel,
Verlammingen, beroerte, en meer dan honderd plagen.
Ik weet er (maar wat ’s dat, na wel doorleefde dagen?)
Wien ’t lijf en leven kost. En dan die lieve Wijn!
Die al de soorten kent moet droes of toov’naar zijn.
Nu, ’t Wijntjen vordert meer; het gloeit de bolle konen
Alleen niet, maar nog meer; —, of — ik ben in de bonen.
Ook dat, al kraakt het lijf en lenden! Schuilt daar ’t heil,
Heb lijf en lenden voor dat lichtmisleven veil.
Maar ’k twijfel; en ik meen dat ’s levens waar genoegen
In stille kalmte ligt en van geen drift te zwoegen.
Die ’t beter weet, spreke op! zoo niet; hy volg’ mijn raad.
Hoe ’t zij, men kieze en deel’, naar dat men ’t stuk verstaat!

      1823.

Horatius Epist. VI.


Aantekening van de schrijver:

Masqu, zegt de Franschman. En, il faut que tout y est, en que rien ne domine.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 september1997